ECLI:NL:RBROT:2024:3745

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
FT EA\24.175
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Artikel 2 Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsanering ondanks eerdere verkeersboetes

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoeker is opgehouden met betalen of redelijkerwijs niet kan voortgaan met betaling van zijn schulden.

Hoewel verkeersboetes uit de driejaarstermijn niet te goeder trouw zijn ontstaan en in beginsel toelating in de weg staan, heeft de rechtbank gelet op de omstandigheden, waaronder het staken van de onderneming en budgetbeheer, geoordeeld dat verzoeker de schulden onder controle heeft gekregen. Hierdoor kan het verzoek op grond van de hardheidsclausule worden toegewezen.

De rechtbank stelt de termijn van de schuldsanering vast op achttien maanden, benoemt een rechter-commissaris en kent een voorschot toe aan de bewindvoerder. Het vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering voor achttien maanden ondanks eerdere verkeersboetes.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 april 2024
[verzoeker],
[adres 1],
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van
4 april 2024.
Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- verzoeker;
- [naam], dochter van verzoeker en vertaler;
- mevrouw I. van Daele, schuldhulpverlening Kredietbank Rotterdam.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Toelating tot de schuldsaneringsregeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Verzoeker zal daarom worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren.
In dit geval heeft de rechtbank onder meer gekeken naar de schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna CJIB). Verzoeker heeft verkeersboetes opgelegd gekregen tussen 2019 en 2022. Een deel hiervan valt binnen de driejaarstermijn. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten, en staan in beginsel aan toelating in de weg.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat niet alle ontstaansdata op de crediteurenlijst correct zijn genoteerd. Verzoeker heeft verklaard dat zijn onderneming op 31 januari 2021 is uitgeschreven. Uit het Kvk-uittreksel blijkt dat de onderneming op 1 februari 2021 is opgeheven. Alle zakelijke schulden hangen hiermee samen waardoor deze buiten de driejaarstermijn vallen. Slechts één schuld, aan Oog op zuid oogkliniek van € 1.082,90, is volgens verzoeker recent ontstaan. De verklaring hiervoor ter zitting was dat de factuur niet per post was ontvangen.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Een deel van de schuldenlast komt voort uit de voormalige onderneming van verzoeker. Verzoeker heeft deze onderneming inmiddels gestaakt. Ook heeft verzoeker ter zitting verklaard geen voertuigen meer op zijn naam te hebben staan. Daarnaast heeft verzoeker budgetbeheer en intensieve hulp van zijn dochter en verzoeker heeft ter zitting een serieuze en saneringsgezinde houding getoond. Door het vorenstaande is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat verzoeker de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1];
[naam pizzeria];
gevestigd [adres 2];
- stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 11 april 2024, waardoor deze termijn eindigt op 11 oktober 2025;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen
en tot bewindvoerder A. Noordzij,
gevestigd te [postadres]
;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van L.M. Heinis, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024. [1]