De rechtbank Rotterdam heeft op 6 maart 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor strafbare feiten met betrekking tot het illegaal tewerkstellen van een werknemer die zich wederrechtelijk in Nederland bevond. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft behaald door het niet betalen van werkgeverslasten en het betalen van een lager loon dan het wettelijk minimum.
Uit het onderzoek en de verklaringen van getuigen bij de rechter-commissaris bleek dat de veroordeelde tussen 1 januari 2010 en 25 augustus 2021 de werknemer illegaal heeft laten werken en daardoor voordeel heeft verkregen. De rechtbank heeft het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €105.684,58, gebaseerd op een gedetailleerde berekening van het niet-betaalde brutoloon inclusief werkgeverslasten minus het daadwerkelijk betaalde loon.
De verdediging voerde geen inhoudelijk verweer tegen de ontnemingsvordering, maar stelde dat de vordering moest worden afgewezen wegens een vermeende onjuiste onderzoeksperiode en de eis van vrijspraak in de strafzaak. De rechtbank verwierp deze verweren en stelde vast dat voldoende aanwijzingen bestonden voor de langere periode waarop de ontneming is gebaseerd.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om het vastgestelde bedrag van €105.684,58 aan de staat te betalen. Hierbij werden de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde meegewogen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.