Eiser solliciteerde op 2 januari 2024 bij SDG voor de functie van chauffeur en werkte op 4 en 9 januari 2024. Na een verzuim op 10 januari 2024 beëindigde SDG telefonisch de arbeidsrelatie. Eiser stelde dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was gesloten en vorderde loon en wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelde dat het aannemelijk is dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, maar voor bepaalde tijd van zes maanden, met een aanvangsdatum van 9 januari 2024. De arbeidsovereenkomst was niet schriftelijk vastgelegd omdat SDG voortijdig besloot niet verder te gaan. SDG betaalde loon voor één werkdag en erkende daarmee het bestaan van de overeenkomst.
De kantonrechter verwierp het verweer van SDG dat de overeenkomst rechtsgeldig was opgezegd binnen de proeftijd, omdat een schriftelijke proeftijdovereenkomst ontbrak en de beëindiging niet eenzijdig was overeengekomen. SDG werd veroordeeld tot betaling van het minimumloon vanaf 10 januari 2024, inclusief een gematigde wettelijke verhoging en rente, en tot het weer toelaten van eiser tot het werk binnen vijf werkdagen. Proceskosten werden aan eiser toegewezen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.