Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], en anderen, eisers
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee
Inleiding
Eisers hebben nadere stukken ingediend.
Totstandkoming van het besluit
Ter plaatse gold op de datum van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Dorpsgebied Stellendam en Havenhoofd 2011” (het bestemmingsplan). Het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming “Centrum”.
Beoordeling door de rechtbank
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ontvankelijkheid van het beroep
In het besluit op bezwaar van 14 oktober 2021 met kenmerk [kenmerk 1] zijn alleen de namen van de heer en [naam 3] genoemd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat besluit alleen tot hen is gericht. De rechtbank vat het beroep echter zo op dat het mede wordt geacht te zijn gericht tegen het afzonderlijke besluit op bezwaar met kenmerk [kenmerk 2] voor onder meer [naam 4], [naam 2] en [naam 6], waarmee op hetzelfde gezamenlijke bezwaarschrift is beslist. De beide besluiten op bezwaar van 14 oktober 2021 zijn onderdeel van dit geding, en worden verder gezamenlijk aangeduid als het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover het is ingesteld door [naam 4], [naam 2] en [naam 6].
Eisers betogen daarnaast dat de twee kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] samen moeten worden beschouwd als één bouwperceel als bedoeld in artikel 1.29 van de planregels, waarop geen twee los van elkaar staande bebouwingen met in totaal vier woningen mogen worden vergund. Volgens eisers is door de kadastrale splitsing geen nieuw bouwperceel ontstaan.
Het college stelt daarnaast dat de aanvraag betrekking heeft op het kadastrale perceel [perceel 1] en dat er geen relatie is tussen de vergunde activiteiten en het gebruik van perceel [perceel 2]. De splitsing van een kadastraal perceel is volgens het college geen grond waarop de omgevingsvergunning voor bouwen geweigerd mag worden.
Gelet op het voorgaande is er voor wat betreft het aantal woningen geen strijd met de anti-dubbeltelbepaling uit artikel 25 van Pro de planregels.
In de eerste plaats stellen zij dat de maximumbouwhoogte van 9 m wordt overschreden. De hoogte van het gebouw is niet op de tekening aangeduid, maar is volgens hen ongeveer 9,60 m. Volgens eisers is de maximumbouwhoogte van 9 m niet terug te vinden in de digitale versie van het bestemmingsplan, maar is die bouwhoogte wel vastgesteld en is de oorspronkelijke papieren kaart niet goed in de digitale omgeving verwerkt.
Verder wordt volgens eisers de maximumgoothoogte van 6 m overschreden. De woningen hebben over een oppervlakte van ongeveer 23 m2 een plat binnendak van 8,60 m hoog. De rand daarvan moet volgens hen voldoen aan de maximumgoothoogte. Eisers wijzen daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3853, waarin een plat dak is aangemerkt als “vergelijkbaar constructiedeel”. Verder betogen eisers dat het platte dak ongeveer 25% van de grondoppervlakte van het gebouw bedraagt en significant bijdraagt aan de massaliteit van het gebouw en het verlies van uitzicht. Daarom moet de rand van het platte dak als goothoogte worden beschouwd.
Tussen partijen is niet in geschil dat de goten aan de zijkant van de woningen lager zijn dan 6 m. Ter beoordeling staat alleen of de maximumgoothoogte van toepassing is op de rand van het platte dak tussen de nokken van de twee woningen.
Eisers hebben als onderbouwing van hun betoog gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015. In die uitspraak ging het echter om een bestemmingsplan dat de goothoogte definieerde als de snijlijn van het dakvlak en het gevelvlak. De uitleg van het begrip goothoogte in die zaak is niet toepasbaar op het bestemmingsplan in deze zaak, waarin de goothoogte volgens artikel 2.6 van de planregels op een andere manier wordt gemeten. In het bijzonder is in deze zaak het begrip dakvlak niet aan de orde.
Het platte dak ligt op enige afstand van de voor- en achtergevel van de woningen. Op de zitting heeft het college aan de hand van de detailtekeningen die deel uitmaken van de omgevingsvergunning toegelicht dat het platte dak geen zelfstandige afwatering heeft. Het platte dak watert via de schuine dakdelen af naar de goten aan de zijkant van de woningen. Vanwege deze feitelijke situatie is de rechtbank van oordeel dat de rand van het platte dak niet is aan te merken als de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel als beschreven in artikel 2.6 van de planregels. Dat betekent dat de maximumgoothoogte van 6 m niet geldt voor de rand van het platte dak.
In de eerste plaats betogen eisers dat het welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Zij stellen dat het welstandsadvies in eerste instantie ten onrechte niet in een openbare vergadering van de welstandscommissie is behandeld en dat hun bezwaarschrift niet in zijn geheel aan de welstandscommissie is overgelegd. De welstandscommissie is volgens eisers niet inhoudelijk ingegaan op de argumenten die zij over het welstandsdadvies hebben aangevoerd. Het college had zich volgens eisers daarom niet op het welstandsadvies mogen baseren. Ook overigens is het welstandsadvies volgens eisers niet zorgvuldig tot stand gekomen.
Inhoudelijk voeren eisers aan dat de huidige bebouwing in de [straatnaam] volgens het welstandsbeleid in paragraaf 1.2.2 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 (de Nota)
beschermd is en de oorspronkelijke bouwopzet zoveel mogelijk behouden moet blijven. Volgens hen is het college op dat punt ten onrechte afgeweken van het welstandsbeleid. Eisers wijzen ook op de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen aan [adres 4], waarbij juist werd verwezen naar de welstandscriteria uit de Nota.
Het gemeentelijke welstandsbeleid is neergelegd in de Nota. Uit het primaire besluit blijkt dat is getoetst aan de criteria uit de Nota voor welstandsniveau 2. Het college stelt dat de [straatnaam] kan worden aangemerkt als achterweg als bedoeld in de Nota, zodat paragraaf 1.2.2 van de Nota van toepassing is. Er is volgens het college echter geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Het college stelt dat de welstandstoets zich volgens vaste rechtspraak in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Verder stelt het college, onder verwijzing naar het nadere welstandsadvies, dat doorzichten in de huidige situatie al nauwelijks aanwezig zijn.
De welstandscommissie heeft het bouwplan getoetst aan de toepasselijke welstandscriteria uit de Nota. Dat niet alle onderwerpen uitdrukkelijk in het advies zijn besproken, betekent niet dat de welstandscommissie daaraan geen aandacht heeft besteed.
Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van de welstandscommissie met de twee latere aanvullingen niet onzorgvuldig tot stand gekomen. Het college mocht zich daarom op dit advies baseren.
Volgens vaste rechtspraak dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en dienen bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt te worden gehanteerd. Het bestemmingsplan bevat in dit geval ruime bouwmogelijkheden, onder meer voor de bouw van woningen of andere gebouwen aan deze kant van de [straatnaam]. De rechtbank is het met het college eens dat de bouw van woningen op deze plaats per definitie in meer of mindere mate een afwijking inhoudt van het uitgangspunt uit de Nota om de oorspronkelijke bouwopzet zo veel mogelijk te behouden. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de welstandstoets in dit geval niet zo ver moet gaan dat de verwezenlijking van deze bouwmogelijkheid uit het bestemmingsplan geheel onmogelijk wordt gemaakt. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het college zich heeft kunnen baseren op het positieve advies van de welstandscommissie. Eisers hebben daartegen geen deskundig tegenadvies ingebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op grond van het advies van de welstandscommissie en de twee aanvullingen daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De beroepsgrond slaagt niet.
- Overige bezwaren
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een onaanvaardbare verkeersonveilige situatie. Er is weliswaar vanuit de uitwegen beperkt zicht op de weg, maar dat betekent niet dat de situatie zo onveilig is dat die niet kan worden vergund. Hierbij is onder meer van belang dat het om een rustige straat gaat en dat de stoep aan de andere kant van de weg ligt. Verder is er ook in de bestaande situatie op meerdere plaatsen in de [straatnaam] al beperkt zicht, vooral vanuit garages, en is niet aannemelijk gemaakt dat dit in de praktijk tot onaanvaardbare gevaarlijke situaties leidt.
Bij de toetsing aan artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV hoeft alleen te worden beoordeeld of de uitweg zelf ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Dat is hier niet het geval. In de bestaande situatie zijn op deze plaats namelijk geen openbare parkeerplaatsen aanwezig. Er waren wel parkeerplaatsen in de garage die inmiddels gesloopt is, maar dat waren geen openbare parkeerplaatsen. De eventuele extra parkeerbehoefte die het gevolg is van de bouwplannen voor dit perceel en voor [adres 3] speelt in dit verband geen rol, maar voor het voorliggende bouwplan blijkt uit de stukken dat volledig op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Voor zover eisers naar voren hebben gebracht dat het college ten onrechte stelt dat de omgevingsvergunning ook alsnog verleend kan worden zonder parkeren op eigen terrein, overweegt de rechtbank dat die situatie nu niet voorligt en daarom niet hoeft te worden beoordeeld.
De APV bevat geen definitie van “voortuin”. De grond ter plaatse van de uitwegen is in het bestemmingsplan niet als tuin bestemd. Bovendien is in de bestaande situatie feitelijk geen voortuin aanwezig en is in de omgevingsvergunning vastgelegd dat de grond voor vier parkeerplaatsen op eigen terrein wordt gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de grond voor de woningen daarom in dit geval niet als voortuin worden aangemerkt. Er is dan ook geen sprake van ontsluiting via de voortuin.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
(…)
Artikel 2.21. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
(…)
Artikel 2.101. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
Artikel 2.18Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt Pro de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of
e. als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan; of
f. indien de uitweg wordt ontsloten via de voortuin; of
g. indien de uitweg de toegestane breedte van 5 meter overschrijdt.
(…)
Planregels bestemmingsplan “Dorpsgebied Stellendam en Havenhoofd 2011”Artikel 1 Begrippen Pro1.29 bouwperceeleen aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Artikel 2 Wijze Pro van meten
Artikel 6 Centrum Pro6.1 BestemmingsomschrijvingDe voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)