ECLI:NL:RBROT:2024:3871
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing beslag bedrijfsvoorraad wegens persoonlijke omstandigheden ondanks strafrechtelijk belang
Op 11 en 19 juli 2023 is beslag gelegd op de bedrijfsvoorraad van de klager op twee bedrijfslocaties op grond van artikel 18 WED Pro. Daarnaast is op 2 januari 2024 beslag gelegd op privé bankrekeningen van de klager. De klager diende op 2 april 2024 een klaagschrift in tegen het beslag, stellende dat hij zonder toegang tot de voorraad niet in zijn levensonderhoud kan voorzien en faillissement dreigt.
De officier van justitie concludeerde tot niet-ontvankelijkheid voor het beslag op de bankrekeningen omdat deze reeds waren opgeheven, en tot ongegrondverklaring van het klaagschrift voor het beslag op de voorraad, vanwege het strafvorderlijk belang en de ernst van de verdenking. De rechtbank beoordeelde het klaagschrift volgens het toetsingskader van artikel 94 Sv Pro en oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot verbeurdverklaring zal overgaan.
Desondanks weegt de rechtbank het persoonlijke belang van de klager om zijn bedrijfsvoorraad te kunnen verhandelen en zo inkomen te genereren zwaarder dan het strafvorderlijk belang, mede gezien de lopende vaste lasten en dreigend faillissement. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van de voorraad rond de inhoudelijke behandeling nog aanwezig zal zijn, zodat opnieuw beslag mogelijk is.
Daarom verklaart de rechtbank het klaagschrift gegrond voor het beslag op de bedrijfsvoorraad en heft dit op, terwijl het klaagschrift voor de bankrekeningen niet-ontvankelijk wordt verklaard. De voorraad wordt teruggegeven aan de klager.
Uitkomst: Het beslag op de bedrijfsvoorraad wordt opgeheven en teruggave aan de klager gelast vanwege zijn persoonlijke omstandigheden.