ECLI:NL:RBROT:2024:3871

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
83-165976-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WEDArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 103 lid 1 SvArt. 7 sub e WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing beslag bedrijfsvoorraad wegens persoonlijke omstandigheden ondanks strafrechtelijk belang

Op 11 en 19 juli 2023 is beslag gelegd op de bedrijfsvoorraad van de klager op twee bedrijfslocaties op grond van artikel 18 WED Pro. Daarnaast is op 2 januari 2024 beslag gelegd op privé bankrekeningen van de klager. De klager diende op 2 april 2024 een klaagschrift in tegen het beslag, stellende dat hij zonder toegang tot de voorraad niet in zijn levensonderhoud kan voorzien en faillissement dreigt.

De officier van justitie concludeerde tot niet-ontvankelijkheid voor het beslag op de bankrekeningen omdat deze reeds waren opgeheven, en tot ongegrondverklaring van het klaagschrift voor het beslag op de voorraad, vanwege het strafvorderlijk belang en de ernst van de verdenking. De rechtbank beoordeelde het klaagschrift volgens het toetsingskader van artikel 94 Sv Pro en oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot verbeurdverklaring zal overgaan.

Desondanks weegt de rechtbank het persoonlijke belang van de klager om zijn bedrijfsvoorraad te kunnen verhandelen en zo inkomen te genereren zwaarder dan het strafvorderlijk belang, mede gezien de lopende vaste lasten en dreigend faillissement. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van de voorraad rond de inhoudelijke behandeling nog aanwezig zal zijn, zodat opnieuw beslag mogelijk is.

Daarom verklaart de rechtbank het klaagschrift gegrond voor het beslag op de bedrijfsvoorraad en heft dit op, terwijl het klaagschrift voor de bankrekeningen niet-ontvankelijk wordt verklaard. De voorraad wordt teruggegeven aan de klager.

Uitkomst: Het beslag op de bedrijfsvoorraad wordt opgeheven en teruggave aan de klager gelast vanwege zijn persoonlijke omstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 83-165976-23
Raadkamernummer 24/008305
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor economische zaken, op het klaagschrift van:

[klager], klager,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],
voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman advocaat mr. S.L.J. Janssen.

Procedure

Op 2 april 2024 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 8 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser, de klager en de raadsman zijn gehoord.

Feiten

Op 11 juli 2023 is onder de klager beslag gelegd op de bedrijfsvoorraad aanwezig aan [adres 1], zijnde het bedrijfspand van [bedrijf 1], op basis van artikel 18 van Pro de Wet op de economische delicten (hierna: WED).
Op 19 juli 2023 is onder de klager beslag gelegd op de bedrijfsvoorraad aanwezig in de loods van [bedrijf 2] aan [adres 2], eveneens op basis van artikel 18 WED Pro.
Op 2 januari 2024 is beslag gelegd op onder meer de privé
bankrekeningen ([rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]) van de klager op grond van artikel 94 Sv Pro en op grond van artikel 94a Sv krachtens de door de rechter-commissaris verleende schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 103, eerste lid, Sv. Het beslag is gelegd in het kader van de onder hiervoor genoemd parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Hij wordt verdacht van meermalen opzettelijk handelen in strijd met het krachtens artikel 2 en Pro 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod, valsheid in geschrift en gebruik maken van een vals geschrift
Het openbaar ministerie heeft het klassiek beslag met ingang van 19 maart 2024 opgeheven.

Standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de bedrijfsvoorraad en de privé bankrekeningen van de klager. Daartoe is aangevoerd dat het voor de klager op dit moment onmogelijk is om in zijn levensonderhoud te voorzien. Immers, de goederen uit zijn bedrijfsvoorraad kunnen niet worden verkocht, terwijl zijn (zakelijke) vaste lasten, waaronder de kosten van zijn bedrijfspand, doorlopen. Dit klemt te meer nu de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak naar verwachting op zijn vroegst pas in het najaar plaatsvindt. Als de klager tot die tijd verstoken blijft van zijn voorraad, dan zal dit onvermijdelijk leiden tot een persoonlijk en zakelijk faillissement. Onder deze omstandigheden zou niet verder vooruit moeten worden gelopen op de uiteindelijke beoordeling van de zaak door de rechtbank, waarbij wordt opgemerkt dat eenvoudig opnieuw beslag gelegd kan worden als de rechtbank tot een verbeurdverklaring van de bedrijfsvoorraad zou komen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de privé bankrekeningen geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager, aangezien voor deze bankrekeningen reeds een last tot teruggave is gegeven.
De officier van justitie heeft voor het overige geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de
klager in het beklag. Er is beslag gelegd op de bedrijfsvoorraad ex artikel 18 WED Pro. Dit strekt tot verbeurdverklaring op grond van artikel 7 sub e WED Pro. Het is niet onwaarschijnlijk dat een strafrechter, later oordelend, zal overgaan tot verbeurdverklaring van de bedrijfsvoorraad van de klager. In een soortgelijke zaak is dit recent ook gebeurd.
Verder is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, gelet op de ernst van de verdenking – de rechter-commissaris heeft reeds ernstige bezwaren aangenomen – , het soort goederen en de voortduring van de oorlog. De belangen van de klager wegen daarom niet op tegen het strafvorderlijk belang. Ook voldoet het beslag aan de eisen van subsidiariteit. Teruggave van de bedrijfsvoorraad bij deze stand van het onderzoek, leidt ertoe dat de goederen (in ieder geval deels) zullen zijn verkocht als opnieuw beslag zou worden gelegd.

Beoordeling klacht

Ontvankelijkheid
De officier van justitie heeft aangegeven dat het beslag op de privé bankrekeningen ([rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]) van de klager reeds is opgeheven. Gelet hierop heeft hij geen belang meer bij de behandeling van het beklag. Hij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslag bedrijfsvoorraad
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag op grond van artikel 18 WED Pro geldt het toetsingskader van artikel 94 Sv Pro. De rechter dient eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt vast dat het beslag enkel dient ter verbeurdverklaring op grond van artikel 7 WED Pro. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en mede gelet op de machtiging van de rechter-commissaris van 2 januari 2024, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de bedrijfsvoorraad zal bevelen. Dit maakt dat het klaagschrift in beginsel ongegrond dient te worden verklaard. De klager heeft echter (inmiddels al geruime tijd) geen andere bron van inkomsten, terwijl zijn vaste lasten wel doorlopen. Het gevolg hiervan is dat zijn schuldenlast oploopt en faillissement op de loer ligt. Het belang van de klager om de bedrijfsvoorraad te kunnen verhandelen – voor zover klager daarmee binnen de grenzen van de wet blijft – en zich op die manier enig inkomen te verschaffen, weegt in dit geval op tegen het strafvorderlijk belang. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de later oordelende strafrechter rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, waaronder de zakelijke belangen, van de klager. De rechtbank acht bovendien aannemelijk dat, gelet op de wijze van bedrijfsvoering waarbij grote partijen worden ingekocht terwijl onderdelen vervolgens per stuk worden verkocht, een (groot) deel van de bedrijfsvoorraad rond de inhoudelijke behandeling van de zaak naar verwachting nog aanwezig zal zijn. Hierop zou dan eventueel opnieuw beslag kunnen worden gelegd met het oog op een mogelijke verbeurdverklaring.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag dat ziet op de ABN AMRO-bankrekeningen.
- verklaart het beklag voor het overige gegrond;
- heft het op grond van artikel 18 WED Pro gelegd beslag op ten aanzien van
o bedrijfsvoorraad aanwezig in Object B [bedrijf 1] [adres 1], voor zover vermeld op de lijst van inbeslagname (IBN-002-04);
o bedrijfsvoorraad aanwezig in Object C [bedrijf 3] [adres 2], voor zover vermeld op de lijst van inbeslagname(IBN-003-03);
- gelast de teruggave daarvan aan de klager, voor zover teruggave niet reeds heeft plaatsgevonden.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. R.H. Kroon en E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2024.