ECLI:NL:RBROT:2024:3939

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
10-304915-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 OpiumwetArt. 10a lid 1 OpiumwetArt. 2 ahf/ond A OpiumwetArt. 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen en voorbereidingshandelingen invoer cocaïne wegens gebrek aan bewijs opzet

De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 april 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe in november 2020. De officier van justitie eiste vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, maar veroordeelde verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde feit tot 30 maanden gevangenisstraf.

De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij zonder nadere motivering. Ook het subsidiair ten laste gelegde feit, dat betrekking had op voorbereidingshandelingen, kon niet bewezen worden. Hoewel afgeluisterde gesprekken, camerabeelden en observaties sterke aanwijzingen voor een uithaalactie vormden, ontbrak het aan bewijs dat verdachte handelde met opzet om invoer van cocaïne voor te bereiden of te bevorderen.

Er werd geen partij cocaïne aangetroffen en de hond die aansloeg bij de bestelbus bood slechts een indicatie zonder voldoende bewijs. De rechtbank concludeerde dat verdachte onvoldoende bewijs had tegen zich en sprak hem daarom vrij van alle tenlasteleggingen.

De zaak illustreert het belang van het vereiste bewijs van opzet bij strafrechtelijke vervolging voor drugssmokkel en de zorgvuldige bewijswaardering door de rechter.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet op invoer van cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10-304915-21
Datum uitspraak: 23 april 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1986,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. J.W. Vedder, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2024.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit;
  • bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering van het primair ten laste gelegde feit
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering van het subsidiair ten laste gelegde feit
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten voorbereidingshandelingen voor de invoer van een hoeveelheid cocaïne. De verdachte [medeverdachte 1] heeft samen met de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] voorbereidingen getroffen voor het uithalen van verdovende middelen in het weekend van 20 tot en met 22 november 2020. Dit volgt uit afgeluisterde gesprekken tussen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zo moest vervoer worden geregeld (een witte bestelbus) en toegang tot de AMP2-terminal. Verder werd gesproken over een slijptol regelen en over de ‘andere kant’, waarmee Latijns-Amerika wordt bedoeld. De afgeluisterde gesprekken worden ondersteund door camerabeelden en observaties. Hieruit blijkt dat op 22 november 2020 een witte Citroën Berlingo het terrein van de APM2-terminal is op- en afgereden, waarbij gebruik is gemaakt van een toegangspas van de verdachte [verdachte] . [verdachte] was daar werkzaam als beveiliger, maar had op dat moment geen dienst. Vervolgens is er een afspraak gemaakt bij de wasstraat aan de Albert Plesmanweg in Rotterdam. Hoewel er door de politie vervolgens geen verdovende middelen zijn aangetroffen, heeft men in de nabijheid van het pand wel de eerdergenoemde Berlingo bestelbus aangetroffen. De laadruimte was leeg, maar de speurhond is wel aangeslagen. In combinatie met het vermoeden dat er een tracker op de bestelbus was bevestigd, wijst dat erop dat er verdovende middelen met de bestelbus zijn vervoerd.
4.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte zijn toegangspas ter beschikking heeft gesteld of zelf heeft gebruikt. Ook kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet om de invoer van cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen.
4.2.3.
Beoordeling
In het dossier bevinden zich uitwerkingen van tapgesprekken tussen telefoonnummers die in het dossier aan de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden toegeschreven. In die gesprekken wordt gesproken over een bak, het regelen van een busje, een slijptol, soldaten en het verkrijgen van een ingang bij de APM2-terminal. De inhoud van deze gesprekken, tezamen met de observaties, het gebruik van de toegangspas van de verdachte [verdachte] om de witte Citroën Berlingo het haventerrein op en af te krijgen en de camerabeelden vormen sterke aanwijzingen dat sprake was van een zogenaamde uithaalactie.
Voor een bewezenverklaring op basis van artikel 10 en Pro 10a van de Opiumwet onder de huidige tenlastelegging moet echter komen vast te staan dat de verdachte handelingen heeft verricht met het opzet om invoer van cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende bewijs. Er is in de onderhavige zaak geen partij cocaïne aangetroffen en ook uit de inhoud van de gesprekken kan niet worden afgeleid (rechtstreeks dan wel indirect) dat het daadwerkelijk om cocaïne ging. Het aanslaan van de verdovende middelenhond bij de aangetroffen Citroën Berlingo is slechts een indicatie dat er ooit verdovende middelen in de auto aanwezig zijn geweest en is dus onvoldoende bewijs voor de aanwezigheid van en opzet op cocaïne. De verdachte dient al om die reden te worden vrijgesproken.
4.2.4.
Conclusie
Het subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en L.J.M. Janssen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Hoeff, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij,
in of omstreeks de periode van 13 november 2020 tot en met 22 november 2020 te
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zoals bedoeld in
lid 4 van artikel 1 van Pro de Opiumwet, een partij cocaïne, in elk geval een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I;
( art 10 lid 5 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij,
in of omstreeks de periode van 13 november 2020 tot en met 22 november 2020 te
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te
weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken, vervoeren en/ of binnen het grondgebied van Nederland brengen van
een of meer partijen cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I, voor te bereiden en/ of te bevorderen,
• een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen
en/ of om daarbij behulpzaam te zijn en/ of
• zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
• voorwerpen en/ of vervoermiddelen en/ of stoffen en/ of gelden en/ of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebben de verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens),
- de plaats van bestemming, locatie, inleveradres en/of bewegingen van een of meer
containers inhoudende een partij verdovende middelen, geraadpleegd en/ of
gewijzigd en/ of laten wijzigen in de systemen;
- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/ of telefonisch contacten
onderhouden en/ of informatie uitgewisseld en/ of afspraken gemaakt over het
invoeren en/ of afleveren en/ of uithalen en/ of verstrekken en/ of vervoeren van een
partij cocaïne;
- met een of meer personen contact gelegd met voor het ronselen en/of aansturen
van uithalers bij het invoeren en/ of afleveren en/ of uithalen en/ of verstrekken en/ of
vervoeren van een partij cocaïne;
-
zijn/een personeelspas
gebruikt, althanster beschikking gesteld aan één of meer mededader(s), waardoor toegang kon worden verschaft tot het terrein van APM2
teneinde op dat terrein een hoeveelheid cocaïne uit te halen;
- een bestelbus gehuurd voor het vervoeren van de verdovende middelen en/ of een
tracker (plakkertje) of ander technisch hulpmiddel op die bestelbus te plaatsen
en/of die partij cocaïne overgeladen in die bestelbus, dan wel instructies gedeeld
en/of handelingen verricht om de uithaal en/of invoer te vergemakkelijken;
( art 10 lid 4 Opiumwet Pro, art 10 lid 5 Opiumwet Pro, art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea
Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)