ECLI:NL:RBROT:2024:3974
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar ongegrond tegen beslissing niet verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling
De veroordeelde is bij vonnis van 31 augustus 2023 veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, welke veroordeling op 15 september 2023 onherroepelijk is geworden. Op grond van artikel 6:2:10 Sv Pro kwam hij op 21 maart 2024 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het Openbaar Ministerie besloot op 5 februari 2024 deze v.i. niet te verlenen, waarop de veroordeelde bezwaar maakte.
De reclassering en de directeur van de penitentiaire inrichting adviseerden positief over het verlenen van v.i., waarbij zij stelden dat begeleiding via bijzondere voorwaarden wenselijk is om het recidiverisico te verlagen. Het Openbaar Ministerie verwierp deze adviezen vanwege het hoge recidiverisico, het gebruik van geweld en contrabande tijdens detentie, en het ontbreken van fundamentele gedragswijziging.
De rechtbank voerde een marginale toets uit en concludeerde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Ondanks de positieve adviezen en de intentie van de veroordeelde om een training te volgen, wegen de gedragsproblemen en het hoge risico op recidive zwaarder. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.