ECLI:NL:RBROT:2024:4050
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring mantelzorg wegens ontbreken huishouden en ongeschiktheid woning
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op de grond van mantelzorg, omdat zij mantelzorger is voor haar ouders die bij haar inwonen in een te kleine woning met schimmelproblemen. SUWR heeft deze aanvraag afgewezen omdat de ouders niet tot het huishouden van verzoekster behoren en verhuizen niet noodzakelijk is voor het verlenen van mantelzorg.
De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang van verzoekster aan en beoordeelt de zaak inhoudelijk. Uit de verordening volgt dat mantelzorgurgentie alleen kan worden toegekend als sprake is van een huishouden en dringende noodzaak tot verhuizen. Dit is hier niet het geval. De ouders zijn weliswaar inwonend, maar behoren niet tot het huishouden van verzoekster. Ook is verhuizen niet noodzakelijk omdat afstand geen belemmering vormt voor mantelzorg.
Verzoekster betoogt dat SUWR een cirkelredenering toepast en dat de hardheidsclausule moet worden toegepast, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat SUWR terecht terughoudend is vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen. De eerdere jurisprudentie waarop verzoekster zich beroept is niet van toepassing omdat hier geen onzorgvuldig besluit is genomen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en bepaalt dat SUWR geen urgentieverklaring hoeft te verstrekken. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring op grond van mantelzorg wordt afgewezen.