ECLI:NL:RBROT:2024:4051
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, een voormalig hovenier, meldde zich op 26 juli 2022 ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een jaar beoordeelde het UWV zijn arbeidsmogelijkheden en concludeerde dat hij meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kan verdienen, waarna de uitkering per 18 september 2023 werd beëindigd.
Verzoeker stelde dat hij dringend financiële hulp nodig had en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij overhandigde bankafschriften waaruit bleek dat zijn ouders en partner hem financieel steunden, en gaf aan een schuld bij zijn moeder te hebben opgebouwd. Tijdens de zitting verklaarde hij echter geen betalingsachterstanden of schulden te hebben.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een acute financiële noodsituatie die een spoedeisend belang rechtvaardigt. Ook werd gewezen op de lopende bezwaarprocedure bij het UWV, waarvan de beslissing naar verwachting in mei 2024 volgt. Omdat geen spoedeisend belang bestond en het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.