Eisers verhuurden een woning aan gedaagden op basis van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd van 5 december 2022 tot 30 november 2023. Na het verstrijken van deze periode bleven gedaagden in de woning verblijven, terwijl de overeenkomst was geëindigd. Eisers vorderden ontruiming en betaling van achterstallige huur en schadevergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat gedaagden terecht in de procedure waren betrokken, omdat zij beiden de huurovereenkomst hadden ondertekend en dus contractuele medehuurders zijn. De stelling van gedaagde 2 dat hij niet in de woning woont, deed hieraan niet af.
De huurovereenkomst was duidelijk voor bepaalde tijd en geëindigd per 30 november 2023, mede doordat eisers tijdig schriftelijk hadden medegedeeld dat de huur zou eindigen. Gedaagden verblijven zonder recht of titel in de woning, zodat ontruiming werd toegewezen met een termijn van vier weken, rekening houdend met de belangen van de minderjarige kinderen van gedaagde 1.
Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 5.800,- aan achterstallige huur over december 2023 tot en met maart 2024, en een maandelijkse schadevergoeding van € 1.450,- vanaf 1 april 2024 tot ontruiming. Tevens werden zij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.