In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst centraal, waarbij de huurder een betalingsachterstand had opgebouwd voor een woning en een scooterbox. In een eerder tussenvonnis was de huurovereenkomst van de scooterbox ontbonden en was de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand inclusief kosten en rente. De beslissing over de ontbinding van de woninghuur werd uitgesteld.
Na de zitting bleek dat de bewindvoerder de huurbetalingen voor de woning maandelijks tijdig had voldaan en een betalingsregeling van €100 per maand voor de achterstand was nagekomen. Gezien deze nakoming en de persoonlijke omstandigheden van de huurder, zoals beschreven in het tussenvonnis, wees de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst af. De kantonrechter waarschuwde dat bij toekomstige niet-nakoming de ontbinding alsnog toegewezen kan worden.
Daarnaast werd de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op €1.294,47, bestaande uit dagvaardingskosten, griffierecht, salaris gemachtigde en nakosten. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee werd het geschil, afgezien van eerdere veroordelingen, definitief beslecht.