De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en een verzoek van de vader tot beëindiging van de omgangsbeperking. De kinderrechter heeft op 12 april 2024 de zaak behandeld waarbij de gecertificeerde instelling (GI), de ouders en hun advocaten aanwezig waren.
De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door kindeigen problematiek en spanningen tussen de ouders. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de hulpverlening te continueren en de opvoedsituatie stabiel en veilig te houden. De omgang tussen vader en kind verloopt onder begeleiding goed, maar dient gecontroleerd te worden uitgebreid om de emoties en ontwikkeling van het kind te beschermen.
De vader verzoekt om opheffing van de omgangsbeperking, stellende dat er geen spanningen zijn en dat de situatie hem en het kind belast. De kinderrechter erkent de frustraties van de vader, maar wijst zijn verzoek af omdat de vader onvoldoende openstaat voor hulpverlening en de GI de regie moet houden over de omgangsopbouw.
De kinderrechter benadrukt het belang van emotie-regulatie bij de vader en de noodzaak van concrete hulpverlening om de situatie te verbeteren. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 23 april 2025 en de verzoeken van de vader worden afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.