ECLI:NL:RBROT:2024:4171

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 mei 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
11034897 VV EXPL 24-180
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis ontruiming woning

In deze zaak vordert de bewindvoerder van een onder bewind gestelde persoon dat de executie van een ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat het hoger beroep is behandeld. De kantonrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor het direct ten uitvoer kan worden gelegd. De verzoeker stelt dat de belangenafweging ten onrechte in het voordeel van de verhuurder uitviel en voert aan dat nieuwe feiten en omstandigheden tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

De rechtbank overweegt dat de kantonrechter in kort geding gebonden is aan de eerdere belangenafweging, tenzij sprake is van nieuwe feiten die na het vonnis zijn ontstaan en die een andere beslissing rechtvaardigen, of van een evidente fout. De aangevoerde medische informatie was reeds bekend en meegenomen in de eerdere afweging. Ook het verjaringsverweer en de inschrijving van de huurder zijn niet zodanig nieuw of doorslaggevend dat de eerdere beslissing moet worden herzien.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een evidente fout of nieuwe feiten die de schorsing rechtvaardigen. De tenuitvoerlegging wordt daarom niet geschorst. Daarnaast wordt de verzoeker veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De verhuurder zal naar verwachting pas na 13 juni 2024 overgaan tot ontruiming, waardoor er nog tijd is voor het regelen van alternatieve huisvesting.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11034897 VV EXPL 24-180
datum uitspraak: 3 mei 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser], die handelt onder de naam
Erasmus Bewindvoering, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. M.H. de Lange,
tegen
Stichting Woonplus Schiedam,
statutaire vestigingsplaats: Schiedam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.W. Kox.
De partijen worden hierna ‘[eiser] q.q.’ en ‘Woonplus’ genoemd. De onder bewind gestelde wordt hierna ‘[naam]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 april 2024, met bijlagen 1 tot en met 4;
  • de brief van 24 april 2024 van Woonplus, met bijlagen 1 tot en met 6;
  • de e-mail van 25 april 2024 van [eiser] q.q., met bijlage 6;
  • de mondelinge behandeling op 26 april 2024;
  • de pleitnota van mr. Kox.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. De Lange toegelicht dat het haar vanwege onvoorziene omstandigheden niet is gelukt om de in de dagvaarding aangekondigde bijlage 5 (de dagvaarding in hoger beroep) nog in het geding te brengen. Woonplus heeft bevestigd dat die dagvaarding (zonder bijzondere inhoud) is uitgebracht en betekend.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
In een vonnis van 9 februari 2024 (hierna ook: het vonnis) heeft de kantonrechter in deze rechtbank onder andere beslist dat (de bewindvoerder van) [naam] de woning aan het adres [adres] – die eigendom is van Woonplus – uiterlijk op 30 april 2024 moet verlaten. [eiser] q.q. is het niet eens met het vonnis en heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. In deze zaak vordert [eiser] q.q. dat de verdere executie van het vonnis wordt gestaakt totdat in het hoger beroep uitspraak is gedaan. Woonplus is het daar niet mee eens. De kort gedingrechter wijst de vordering van [eiser] q.q. af. Dit wordt hierna uitgelegd.
De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt niet geschorst
2.2.
De kantonrechter heeft het vonnis van 9 februari 2024 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren heeft de kantonrechter genomen na een belangenafweging, die in het vonnis is weergegeven. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis is de kort gedingrechter in principe gebonden aan die belangenafweging. Dat is anders als sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die de kort gedingrechter aanleiding geven voor een andere beslissing. Ook kan in de beoordeling worden betrokken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag, dus een overduidelijke fout of vergissing. Verder moet de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Tot slot kan de tenuitvoerlegging van het vonnis ook worden geschorst als dit aan de zijde van [naam] een noodtoestand zou laten ontstaan en Woonplus daardoor misbruik maakt van haar bevoegdheid door het vonnis toch ten uitvoer te leggen.
2.3.
[eiser] q.q. is het is het in de eerste plaats niet eens met het vonnis van de kantonrechter van 9 februari 2024 en vindt dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de gegeven omstandigheden een onevenredige uitkomst oplevert. In de ogen van [eiser] q.q. is de belangenafweging om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren ten onrechte in het voordeel van Woonplus uitgevallen en is de kantonrechter ten onrechte voorbijgegaan aan het gegeven dat Woonplus lange tijd heeft stilgezeten. Daarnaast heeft Woonplus bij [naam] in de afgelopen tien jaar de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat zij akkoord was met het verblijf van [naam] in de woning en heeft Woonplus haar rechtsvordering laten verjaren.
2.4.
De stellingen van [eiser] q.q. hebben allemaal betrekking op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en de afweging van de feiten en omstandigheden van die zaak door de kantonrechter. Dat zijn stellingen die in het hoger beroep aan de orde kunnen komen, maar niet in een executiegeschil zoals dit. De kans van slagen van het hoger beroep moet de kort gedingrechter uitdrukkelijk buiten beschouwing laten (zie hiervoor in 1.2.). Van een evidente fout of vergissing is geen sprake.
2.5.
[eiser] q.q. heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat sprake is van feiten en omstandigheden die de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing niet in aanmerking kon nemen doordat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan of doordat ze pas daarna bekend zijn geworden en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Dat wordt hierna nader toegelicht.
2.6.1.
De medische informatie over [naam] die [eiser] q.q. in deze zaak in het geding heeft gebracht (bijlage 6) is geen omstandigheid die zich pas na de uitspraak van 9 februari 2024 heeft voorgedaan. Uit de informatie volgt immers dat [naam] al geruime tijd voorafgaand aan het vonnis kampte met diverse gezondheidsproblemen. In de processtukken in die zaak, die als productie zijn overgelegd in deze zaak, worden die gezondheidsproblemen ook benoemd. Aangenomen moet dan ook worden dat de kantonrechter die problemen bij de belangenafweging heeft betrokken. Het is niet gebleken dat de situatie van [naam] na het vonnis zodanig is verslechterd dat daaruit op dit moment een noodsituatie kan worden afgeleid. De bezwaren van het niet langer beschikken over deze woonruimte zijn inherent aan de beslissing en daarbij dus ook meegewogen. Dat [naam] aangewezen zal zijn op daklozenopvang is overigens ook niet aannemelijk gemaakt.
2.6.2
Verder heeft [eiser] q.q. aangevoerd dat pas na het vonnis is gebleken dat Woonplus wist dat Dogan, de huurder van de woning, daar reeds in 2018 niet meer stond ingeschreven. Dat is niet een omstandigheid waarvan evident is dat deze tot een andere beslissing had geleid, als die eerder bekend geweest was. Een verjaringsverweer is in de eerdere procedure niet gevoerd en het oordeel dat [naam] nooit medehuurder is geweest en daar zonder recht woonde heeft de kantonrechter niet alleen op de onduidelijkheid rond de inschrijving gebaseerd, maar ook op andere feiten. Voor de belangenafweging zou dit dan ook geen althans onvoldoende verschil hebben gemaakt.
2.7
De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering tot schorsing van de executie wordt afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit, gelet op de mededelingen van Woonplus op de zitting, dat Woonplus pas op of na 13 juni 2024 tot ontruiming overgaat, zodat [eiser] q.q. (en [naam]) nog bijna zes weken heeft/hebben om ander onderdak te regelen.
[eiser] q.q. moet de proceskosten betalen
2.8
[eiser] q.q. moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Woonplus op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde (tarief eenvoudige zaak) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 678,-,. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
2.9
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat vordert en [eiser] q.q. daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiser] q.q. in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 678,-;
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken.
38671