In deze zaak vordert de bewindvoerder van een onder bewind gestelde persoon dat de executie van een ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat het hoger beroep is behandeld. De kantonrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor het direct ten uitvoer kan worden gelegd. De verzoeker stelt dat de belangenafweging ten onrechte in het voordeel van de verhuurder uitviel en voert aan dat nieuwe feiten en omstandigheden tot een andere beslissing zouden moeten leiden.
De rechtbank overweegt dat de kantonrechter in kort geding gebonden is aan de eerdere belangenafweging, tenzij sprake is van nieuwe feiten die na het vonnis zijn ontstaan en die een andere beslissing rechtvaardigen, of van een evidente fout. De aangevoerde medische informatie was reeds bekend en meegenomen in de eerdere afweging. Ook het verjaringsverweer en de inschrijving van de huurder zijn niet zodanig nieuw of doorslaggevend dat de eerdere beslissing moet worden herzien.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een evidente fout of nieuwe feiten die de schorsing rechtvaardigen. De tenuitvoerlegging wordt daarom niet geschorst. Daarnaast wordt de verzoeker veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De verhuurder zal naar verwachting pas na 13 juni 2024 overgaan tot ontruiming, waardoor er nog tijd is voor het regelen van alternatieve huisvesting.