Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
2.Waar gaat het over?
3.De beoordeling
kunnenstructurele eigen inkomsten van een jongmeerderjarige de behoefte verlagen.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een verzoek van een jongmeerderjarige dochter die kort na haar 18e verjaardag door haar biologische vader is erkend. Door deze erkenning verloor zij haar aanvullende studiebeurs, waardoor zij financieel tekort kwam en noodgedwongen moest werken. De dochter vordert dat de vader bijdraagt in haar kosten van levensonderhoud en studie.
De vader betwist het verzoek en stelt dat de dochter zelf kan voorzien in haar kosten. De rechtbank oordeelt echter dat de vader onderhoudsplichtig is en voldoende draagkracht heeft om bij te dragen. De rechtbank houdt geen rekening met de eigen inkomsten van de dochter, omdat deze voortvloeien uit noodzaak door het wegvallen van de studiebeurs.
De rechtbank berekent de behoefte van de dochter op basis van normbedragen uit de Wet op de Studiefinanciering en houdt rekening met haar basisbeurs en het feit dat zij thuis woont. Ook de behoeften van andere kinderen waarvoor de vader en moeder onderhoudsplichtig zijn, worden betrokken bij de draagkrachtberekening.
De rechtbank bepaalt dat de vader vanaf 1 november 2022 tot en met 31 juli 2023 een bijdrage van €489 per maand moet betalen, vanaf 1 augustus 2023 €569,35 per maand, en vanaf 1 januari 2024 €604,65 per maand, met wettelijke indexering. De alimentatie moet vooruitbetaald worden. Verzoeken voor voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling worden afgewezen, ieder draagt eigen kosten.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er staat hoger beroep open.
Uitkomst: De vader moet vanaf 1 november 2022 tot en met 31 juli 2023 €489 per maand, vanaf 1 augustus 2023 €569,35 per maand en vanaf 1 januari 2024 €604,65 per maand aan alimentatie betalen aan zijn dochter.