ECLI:NL:RBROT:2024:4296

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 mei 2024
Publicatiedatum
10 mei 2024
Zaaknummer
10764606 CV EXPL 23-28654
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling en verklaring volledig voldaan verstekvonnis

In deze zaak vordert eiser terugbetaling van een bedrag van € 920,77 en een verklaring voor recht dat hij volledig heeft voldaan aan een verstekvonnis uit 2018. Eiser stelt dat hij meer heeft betaald dan verplicht was, terwijl gedaagde betwist dat de berekening klopt en stelt dat eiser nog een bedrag verschuldigd is.

Tijdens de zitting is vastgesteld dat de berekening van eiser onjuist is op twee punten: dubbele betaling van een factuur is tweemaal in mindering gebracht en twee betalingen zijn ten onrechte meegenomen terwijl deze al in een eerdere procedure waren verrekend. Eiser erkent dat hij nog € 531,23 aan gedaagde verschuldigd is.

De kantonrechter wijst daarom zowel de vordering tot terugbetaling als de verklaring voor recht af. Ook de gevorderde rente en bijkomende kosten worden afgewezen omdat de hoofdsom niet wordt toegewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 337,50.

Uitkomst: De eis tot terugbetaling en verklaring voor recht wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10764606 CV EXPL 23-28654
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 12 april 2024
in de zaak van
[eiser] ,die handelt onder de naam [naam autobedrijf] ,
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. J.F. van Dijk,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.P.A. Roelands (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders).
De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
De kantonrechter is mr. A.M. van Kalmthout en de griffier is mr. J. Ista.
Aanwezig zijn:
  • [eiser] met de gemachtigde;
  • Mevrouw [persoon A] (administratief medewerker) en de heer [persoon B] (statutair bestuurder) namens [gedaagde] , met mr. W. Kistemaker namens de gemachtigde.

1.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
1.1.
Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 15 februari 2018 (zaaknummer 6587061 \ CV EXPL 18-179, hierna ‘het verstekvonnis’) is [eiser] veroordeeld om € 4.536,56 met rente en kosten aan [gedaagde] te betalen. Volgens [eiser] heeft hij volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan en zelfs € 920,77 teveel betaald. Bij dagvaarding eist hij terugbetaling van dit bedrag met rente en kosten en een verklaring voor recht dat hij volledig heeft voldaan aan het verstekvonnis.
1.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. De berekening van [eiser] klopt niet en hij moet juist nog een bedrag aan haar betalen, aldus [gedaagde] .
De uitkomst
1.3.
De eis wordt afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
Er staat nog een bedrag open, dus [eiser] heeft niet volledig aan het verstekvonnis voldaan
1.4.
[eiser] heeft als productie 9 bij de dagvaarding een brief van 30 mei 2023 aan [gedaagde] overgelegd met een berekening. Op grond van die berekening komt hij uit op een door [gedaagde] aan hem terug te betalen bedrag van € 920,77. Tijdens de zitting is vastgesteld dat die berekening op twee punten onjuist is. Ten eerste is de door [eiser] gestelde dubbele betaling van een factuur van € 544,50 (op 21 augustus 2017 en 18 januari 2018) niet één keer, maar twee keer in mindering gebracht op het door hem verschuldigde bedrag. Ten tweede heeft [eiser] ten onrechte twee betalingen op 7 december 2017 (€ 544,50 en € 363,-) in mindering gebracht, terwijl deze bedragen in de eerdere procedure al in mindering waren gebracht op de hoofdsom. [eiser] heeft tijdens de zitting dan ook erkend dat hij, als hij daarmee rekening houdt, nog € 531,23 aan [gedaagde] verschuldigd is (€ 920,77 – € 544,50 – € 544,50 – € 363,-). Zowel de eis tot betaling van € 920,77 als de geëiste verklaring voor recht dat [eiser] volledig aan het verstekvonnis heeft gedaan, wordt daarom afgewezen.
1.5.
De geëiste rente en overige bijkomende kosten worden eveneens afgewezen, omdat daar door het afwijzen van de hoofdsom geen grond voor bestaat.
[eiser] moet de proceskosten betalen
1.6.
[eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 337,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
wijst de eis van [eiser] af;
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 337,50.
Dit proces-verbaal is op 23 april 2024 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
43416