ECLI:NL:RBROT:2024:4322

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
14 mei 2024
Zaaknummer
C/10/670330 / HA RK 23-1254
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 lid 1 FwArt. 295 lid 4 FwArt. 315 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tegemoetkoming kinderopvangtoeslagaffaire blijft buiten boedel in schuldsanering

De rechtbank Rotterdam behandelde het hoger beroep van een natuurlijke persoon die onder de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) viel en als kindslachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire een tegemoetkoming van €10.000 had ontvangen. De rechter-commissaris had verzocht deze tegemoetkoming buiten de boedel te laten, maar dit verzoek was afgewezen.

De rechtbank stelde vast dat op grond van de Faillissementswet alle goederen die tijdens de schuldsaneringsregeling worden verkregen in de boedel vallen, tenzij een uitzondering van toepassing is. Hoewel de wetgever geen specifieke uitzondering voor kindslachtoffers heeft opgenomen, oordeelde de rechtbank dat de bedoeling van de wetgever is dat deze tegemoetkoming bedoeld is om de slachtoffers een nieuwe start te bieden en niet om schuldeisers te bevoordelen.

De rechtbank nam mee dat de appellant actief hulp had gezocht en bijna aan het einde van het schuldsaneringstraject was. Daarnaast wees zij op de nieuwe regeling voor kindslachtoffers die een saneringskrediet en schuldhulpverlening biedt waarbij de tegemoetkoming buiten beschouwing blijft. Gezien deze omstandigheden achtte de rechtbank een uitzondering op het wettelijke systeem gerechtvaardigd en vernietigde de beschikking van de rechter-commissaris, zodat de tegemoetkoming buiten de boedel blijft.

Uitkomst: De tegemoetkoming aan het kindslachtoffer blijft buiten de boedel in het schuldsaneringstraject.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/670330 / HA RK 23-1254
insolventienummer [nummer]
Beschikking van 8 mei 2024
hoger beroep op grond van artikel 315 Faillissementswet Pro tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 9 november 2023 in de wettelijke schuldsanering van:
[persoon A],
wonende te Dordrecht,
verzoeker,
advocaat mr. E. Kattestaart te Rotterdam.
Belanghebbende is:
R.I. DE JONG,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van appellant.
Appellant wordt hierna [persoon A] genoemd.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het beroepschrift van [persoon A] van 13 november 2023, met als bijlage de bestreden beschikking.
1.2.
Op 18 april 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [persoon A] , bijgestaan door mr. Kattestaart, en een collega van zijn beschermingsbewindvoerder, de heer [persoon B] , zijn verschenen. De bewindvoerder in de schuldsanering van [persoon A] , de heer R.I. de Jong, is niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op 8 mei 2024.

2.De feiten

2.1.
Op 29 juni 2021 is de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (hierna: wsnp) van toepassing verklaard op [persoon A] . In de wsnp is de heer R.I. de Jong laatstelijk in de functie van bewindvoerder aangesteld en is mr. C.G.E. Prenger laatstelijk tot rechter-commissaris benoemd.
2.2.
[persoon A] heeft als kind-slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire een tegemoetkoming van € 10.000,00 gekregen. De beschermingsbewindvoerder heeft namens [persoon A] de rechter-commissaris verzocht om dit bedrag buiten de boedel te laten. Bij beschikking van 9 november 2023 (hierna ook: de bestreden beslissing) heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 315 Fw Pro staat tegen een beschikking van de rechter-commissaris gedurende vijf dagen hoger beroep open bij de rechtbank. Het op 14 november 2023 binnengekomen beroepschrift richt zich tegen de beschikking van 9 november 2023. Het beroepschrift is binnen de in artikel 315 lid 1 Fw Pro gestelde termijn ontvangen.
3.2.
Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. [persoon A] vindt het niet redelijk dat de tegemoetkoming die hij heeft gekregen als kind-slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire in de boedel valt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen blijkt volgens hem dat de wetgever heeft bedoeld dat kind-slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire de tegemoetkoming moeten kunnen gebruiken om een nieuwe start te maken en hun toekomst op te bouwen. Als de vergoeding in de boedel valt, wordt tekort gedaan aan de bedoeling van de wetgever, aldus [persoon A] .
Het beroep is gegrond, het verzoek wordt alsnog toegewezen
3.3.
Bij de beoordeling van dit beroep stelt de rechtbank voorop dat uit het wettelijk systeem volgt dat een gedurende de schuldsaneringsregeling uitgekeerd bedrag in de boedel valt. Op grond van artikel 295 lid 1 Fw Pro omvat de boedel namelijk alle goederen van de schuldenaar op het moment dat de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard en alle goederen die hij tijdens de schuldsaneringsregeling verkrijgt. De tegemoetkoming die [persoon A] in het kader van de kindregeling bij de kinderopvangtoeslagenaffaire heeft gekregen, valt in beginsel niet onder de uitzonderingen hierop van artikel 295 lid 4 Fw Pro. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden een uitzondering op het wettelijk systeem gerechtvaardigd is. De bestreden beslissing wordt daarom vernietigd. Dit wordt hierna toegelicht.
3.4.
In beginsel bestaat er geen wettelijke grond om de tegemoetkoming die [persoon A] heeft ontvangen, buiten de boedel te laten. De wetgever heeft voor deze situatie geen aparte regeling in het leven geroepen, zoals hij dat wel heeft gedaan voor ouders die slachtoffer zijn geworden van de kinderopvangtoeslagaffaire. Kijkend naar de Memorie van Toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen, gaat de rechtbank er desondanks van uit dat de tegemoetkoming niet bedoeld is om ten gunste van de schuldeisers van een kind-slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire te komen. Uit de Memorie van Toelichting volgt namelijk onder meer dat de tegemoetkoming is bedoeld om elke getroffen jongere te helpen bij het opbouwen van een toekomst, dat de tegemoetkoming is bedoeld als steun in de rug en als basis voor emotioneel herstel en dat het kabinet vindt dat kinderen en jongeren zelf mogen bepalen waar zij het geld aan uitgeven. In de Memorie van Toelichting staat met zoveel woorden dat de kindregeling niet is bedoeld om schade of schulden te compenseren, maar als een tegemoetkoming (Memorie van Toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen, p. 28-34).
3.5.
De duidelijke bedoeling van de wetgever is dus dat de kind-slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire deze tegemoetkoming mogen besteden zoals zij zelf willen. Aan deze bedoeling wordt afbreuk gedaan als deze tegemoetkoming in de boedel valt. Dit geldt des te meer nu is gebleken dat veel van de kind-slachtoffers in financiële problemen terecht zijn gekomen die (mede) veroorzaakt zijn door de kinderopvangtoeslagaffaire.
3.6.
In dit geval acht de rechtbank tevens het volgende van belang. [persoon A] heeft zelf actief hulp gezocht bij het oplossen van zijn financiële problemen en hij is daardoor al in een vroeg stadium tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegelaten. Als hij daartoe niet zou zijn overgegaan, zou hij onder de nieuwe regeling voor kind-slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire vallen. In deze regeling wordt de zogenoemde kindregeling aangevuld met een schuldhulpverleningsaanbod. Er wordt een saneringskrediet vastgesteld, waarmee een reguliere schuldregeling wordt gestart. De tegemoetkoming die aanvragers van deze regeling als kind-slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire hebben ontvangen, blijft in dit schuldsaneringstraject buiten beschouwing. Hiermee is niet te verenigen dat de tegemoetkoming aan [persoon A] thans wel gebruikt zou worden om zijn schuldeisers te betalen. Ten slotte geldt dat [persoon A] geen invloed heeft gehad op het moment van uitbetalen van de tegemoetkoming; het bedrag is immers ambtshalve aan hem uitgekeerd. [persoon A] heeft het schuldsaneringstraject bijna afgerond. Hij heeft op de zitting aangegeven dat hij na het schuldsaneringstraject met een schone lei wil beginnen en de tegemoetkoming wil gebruiken om een opleiding te volgen en om een eigen woning te verkrijgen. Een en ander leidt de rechtbank tot de slotsom dat een strikte toepassing van de wettelijke regeling, die ervan uitgaat dat in beginsel alle goederen die de schuldenaar tijdens zijn schuldsaneringsregeling verkrijgt in de boedel vallen, in dit geval niet is aangewezen.
Conclusie
3.7.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat in de gegeven omstandigheden een uitzondering op het wettelijk systeem gerechtvaardigd is en de tegemoetkoming die [persoon A] heeft gekregen als kind-slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire buiten de boedel dient te vallen. [persoon A] mag de tegemoetkoming daarom zelf houden. Het beroep is dus gegrond en de bestreden beslissing wordt daarom vernietigd.

4.De beslissing

De rechtbank
- vernietigt de beschikking van 9 november 2023 van de rechter-commissaris,
- bepaalt dat het oorspronkelijke verzoek van [persoon A] aan de rechter-commissaris alsnog wordt toegewezen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Smits, mr. J.E. Molenaar en mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.
3727/3195/3152/1918