ECLI:NL:RBROT:2024:4426
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na verbeurdverklaring
In deze ontnemingszaak bij de rechtbank Rotterdam is de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde behandeld. De vordering betrof een bedrag van €90.030,81, dat volgens het OM is verkregen door strafbare feiten waaronder medeplegen van voorbereidingshandelingen voor invoer van cocaïne en omkoping.
Tijdens de inhoudelijke behandeling op 19 april 2024 heeft de officier van justitie een wijziging van haar standpunt ingenomen en verzocht om niet-ontvankelijkheid van haar eigen vordering. Dit omdat in de strafzaak reeds een bedrag van €80.850,- verbeurd is verklaard, wat volgens het OM voldoende is om het wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen.
De rechtbank overweegt dat de verbeurdverklaring inderdaad het strafrechtelijk belang bij de ontnemingsvordering wegneemt. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen. Gelet hierop verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontneming.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis hebben gewezen. De voorzitter en jongste rechter konden het vonnis niet medeondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.