Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw C. Rosalia, werkzaam bij My Financial Concern (hierna: beschermingsbewindvoerder);
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij schuldhulpverlening IJsselgemeenten (hierna: schuldhulpverlener).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 15 april 2024.
Verzoeker betaalt de huur voor januari tot en met mei 2024 en staat sinds 16 april 2024 onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder verklaarde dat zij de betalingen vanaf mei 2024 zal overnemen, waardoor voldoende zekerheid bestaat dat de lopende termijnen worden voldaan.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.