Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2024 in de zaak tussen
en [verzoeker 2] (verzoekster
), uit [plaatsnaam], verzoekers
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers ontvingen een aanvullende bijstandsuitkering naast een Wajong-uitkering. Verzoekster was medisch belastbaar voor twee keer twee uur per week en had afspraken gemaakt om deel te nemen aan een re-integratietraject, vastgelegd in een Plan van aanpak.
Omdat verzoekster tijdens twee trainingsdagen vroegtijdig was vertrokken en het traject niet was gestart, heeft verweerder de aanvullende bijstandsuitkering met 100% verlaagd voor de duur van een maand. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat het een financieel geschil betrof dat na afloop van de bodemprocedure kan worden opgelost. Er was geen sprake van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig, omdat zonder diepgaand onderzoek onvoldoende aanwijzingen waren dat het besluit onjuist was.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering in stand blijft. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en hoger beroep of verzet is uitgesloten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van de aanvullende bijstandsuitkering wordt afgewezen.