ECLI:NL:RBROT:2024:4559

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
17 mei 2024
Zaaknummer
10833726 CV EXPL 23-32812
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 88 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde factuur cursus Brandveiligheid Gebouwbeheer

Vastgoed Business School B.V. vordert betaling van €1.566,95 voor een cursus Brandveiligheid Gebouwbeheer, waarvoor gedaagde zich heeft ingeschreven maar de lessen niet heeft gevolgd. Gedaagde betwist betaling omdat hij dacht zonder betalingsverplichting te kunnen inschrijven en vermoedt dat correspondentie naar een oud adres is gestuurd. Vastgoed vermindert de eis met €199 vanwege een restitutie voor een niet doorgegaan les.

De kantonrechter oordeelt dat tussen partijen een geldige opleidingsovereenkomst is gesloten, waarbij de algemene voorwaarden van Vastgoed van toepassing zijn en geen gebruik is gemaakt van de bedenktijd of annulering. Gedaagde wordt geacht de overeenkomst in de uitoefening van zijn bedrijf te zijn aangegaan, waardoor consumentenbescherming niet van toepassing is.

De stelling dat facturen niet zijn ontvangen wordt verworpen, omdat Vastgoed ook per e-mail heeft verzonden. De hoofdsom van €1.367,95 wordt toegewezen, evenals incassokosten van €205,19 en wettelijke rente vanaf 18 mei 2021. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van €982,84. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.573,14 inclusief rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10833726 CV EXPL 23-32812
datum uitspraak: 17 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Vastgoed Business School B.V.,
vestigingsplaats: Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.G. Lodewijk,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Vastgoed’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 1 december 2023, met bijlagen;
  • het antwoord.
1.2.
Op 12 april 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Vastgoed de heer [persoon A] , algemeen manager, aanwezig. [gedaagde] is, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Vastgoed eist bij dagvaarding betaling van € 1.566,95 met bijkomende kosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd.
2.1.1.
Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de cursus ‘Brandveiligheid Gebouwbeheer’. [gedaagde] heeft zich op de website van Vastgoed voor deze cursus aangemeld. Vastgoed heeft vervolgens een factuur gestuurd voor € 1.566,95, maar [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald. Naast het factuurbedrag is hij daarom ook bijkomende kosten verschuldigd geworden, aldus Vastgoed.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij erkent dat hij zich voor de cursus heeft ingeschreven, maar hij heeft de lessen niet gevolgd. Hij ging er vanuit dat hij zich zonder betalingsverplichting kon inschrijven en op een later moment kon beslissen of hij de cursus zou gaan volgen. [gedaagde] heeft het vermoeden dat de correspondentie naar zijn oude adres is gestuurd. Hij heeft wel e-mails ontvangen en is gebeld door Vastgoed, maar hij heeft de telefoon toen niet opgenomen omdat hij dacht dat hij werd gebeld door een oplichter.
2.3.
Tijdens de zitting heeft Vastgoed haar eis verminderd met € 199,-, omdat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat zij [gedaagde] voor dit bedrag een restitutie heeft aangeboden vanwege een les die niet is doorgegaan.
De uitkomst
2.4.
De (gewijzigde) eis wordt grotendeels toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet € 1.367,95 aan hoofdsom betalen
2.5.
De gewijzigde hoofdsom van € 1.367,95 wordt toegewezen. Dit is het factuurbedrag van € 1.566,95 minus de hiervoor genoemde restitutie van € 199,-.
2.6.
Niet ter discussie staat dat [gedaagde] zich voor de cursus heeft ingeschreven en dat daarmee een opleidingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft niet betwist dat de algemene voorwaarden van Vastgoed op deze overeenkomst van toepassing zijn. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] van de in artikel 3 van Pro de algemene voorwaarden opgenomen bedenktijd van 14 werkdagen gebruik heeft gemaakt of zijn inschrijving anderszins heeft geannuleerd. Dat heeft tot gevolg dat hij in beginsel het lesgeld minus de restitutie verschuldigd is, ook als hij de lessen niet heeft gevolgd.
2.7.
Naar aanleiding van de nadere stellingen van Vastgoed en de overgelegde stukken is niet gebleken dat er omstandigheden zijn die aan toewijzing van de hoofdsom in de weg staan. De kantonrechter licht dit hierna toe.
[gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep
2.8.
Als [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan als consument, moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Vastgoed bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan haar essentiële informatieverplichtingen heeft voldaan. Een voldoende ernstige schending van deze informatieverplichtingen kan een vermindering van de betalingsverplichting van de consument opleveren.
2.9.
In deze zaak is het voorgaande niet aan de orde. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de factuur op naam van ‘ [naam eenmanszaak] ’ staat. [gedaagde] had tijdens de zitting wellicht duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of dit zijn eenmanszaak is en in welke hoedanigheid hij gehandeld heeft bij het aangaan van de overeenkomst, maar door niet ter zitting te verschijnen heeft hij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Uit het niet verschijnen van een partij op de zitting kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht (artikel 88 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat betekent in dit geval het volgende. De kantonrechter gaat er vanuit dat [gedaagde] , in lijn met de adressering op de factuur en hetgeen Vastgoed hierover tijdens de zitting heeft aangevoerd, de overeenkomst is aangegaan op naam van zijn eenmanszaak en dus in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep. [gedaagde] wordt daarom niet aangemerkt als consument en het gevolg daarvan is dat een eventuele schending van de essentiële informatieverplichtingen door Vastgoed in deze zaak niet tot een vermindering van de betalingsverplichting van [gedaagde] kan leiden.
Ontvangst van de factuur
2.10.
Het verweer van [gedaagde] dat hij niet hoeft te betalen omdat hij de brieven van Vastgoed niet heeft ontvangen, wordt verworpen. In reactie op dit verweer heeft Vastgoed tijdens de zitting namelijk aangevoerd dat niet alleen de aanmaningen, maar ook de factuur per e-mail naar [gedaagde] zijn gestuurd. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van deze nadere stelling van Vastgoed.
[gedaagde] moet € 205,19 aan incassokosten te betalen
2.11.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 205,19 toegewezen.
Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW Pro). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.
2.12.
De mogelijke oneerlijkheid van de bepaling in artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden dat in het geval van niet-tijdige betaling alle kosten ten laste van de opdrachtgever komen staat niet aan toewijzing van dit deel van de eis in de weg, omdat er – zoals hiervoor onder 2.9. toegelicht – vanuit wordt gegaan dat [gedaagde] de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan. Dit had anders kunnen zijn als hij in de hoedanigheid van een consument zou hebben gehandeld.
[gedaagde] moet rente betalen
2.13.
De rente wordt toegewezen over € 1.367,95 vanaf de datum van verzuim, te weten 18 mei 2024 (14 dagen na de factuurdatum van 4 mei 2021). Vastgoed heeft namelijk genoeg gesteld waaruit volgt deze rente moet worden betaald en [gedaagde] heeft dat niet betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Vastgoed op € 107,84 aan dagvaardingskosten, € 365,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 982,84. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Vastgoed dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Vastgoed te betalen € 1.573,14 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.367,95 vanaf 18 mei 2021 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Vastgoed worden begroot op € 982,84;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
43416