ECLI:NL:RBROT:2024:4752

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 april 2024
Publicatiedatum
23 mei 2024
Zaaknummer
C/10/674571
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende gronden

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de instelling aan dat de minderjarige en haar moeder positieve stappen hebben gezet en dat de hulpverlening via het FACT-team goed verloopt. De moeder en de minderjarige verzetten zich tegen verlenging, stellende dat de ondertoezichtstelling veel onrust en stress veroorzaakt en dat de hulpverlening binnen het vrijwillig kader adequaat is.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, maar dat passende hulpverlening wordt geaccepteerd en dat de medewerking van de moeder en minderjarige aan de hulpverlening voldoende is. Gezien de negatieve ervaringen met de ondertoezichtstelling en de weerstand daartegen, acht de kinderrechter verlenging niet effectief en mogelijk averechts.

Daarom wijst de kinderrechter het verzoek tot verlenging af. De beslissing is genomen na zorgvuldige afweging van de feiten, standpunten van partijen en het belang van de minderjarige, met inachtneming van artikel 1:260 BW Pro.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende gronden en negatieve effecten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/674571 / JE RK 24-408
Datum uitspraak: 26 april 2024
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam 1],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. van Harskamp, kantoorhoudende te Utrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 april 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 21 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 april 2024.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Er resteert nog een beslissing op de periode van elf maanden.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. De afgelopen periode hebben [minderjarige] en de moeder positieve stappen gezet. Zij hebben lang moeten wachten op de start van de hulpverlening vanuit het FACT team. De GI heeft contact opgenomen met de behandelaar van [minderjarige] . Het gaat goed en [minderjarige] en de behandelaar bouwen aan een vertrouwensband. De GI heeft nog geen contact gehad met de school van [minderjarige] , maar [minderjarige] geeft zelf aan dat het goed gaat op school. De GI geeft desgevraagd aan dat er geen zorgen zijn over de medewerking van de moeder en [minderjarige] aan de hulpverlening. Het is van belang om de ondertoezichtstelling te verlengen, zodat de inzet van hulpverlening gemonitord blijft. Ook is het belangrijk dat er goed naar [minderjarige] geluisterd wordt. Wanneer een ondertoezichtstelling niet langer nodig blijkt te zijn, zal de GI de ondertoezichtstelling eerder afsluiten.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verzocht het verzoek van de GI af te wijzen. [minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd, maar de moeder en [minderjarige] werken consequent mee met de inzet van hulpverlening binnen het vrijwillig kader. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige] de betrokkenheid van de GI niet als helpend ervaren en brengt de ondertoezichtstelling veel onrust en stress met zich mee. Tijdens de gesloten plaatsing van [minderjarige] , hebben [minderjarige] en de moeder zich onvoldoende gehoord of begrepen gevoeld. Ook is het verzoekschrift van de GI beknopt en bevat het fouten over onder andere de diagnose van [minderjarige] . De GI geeft aan de ondertoezichtstelling enkel te willen verlengen om de inzet van hulpverlening te monitoren. Dit is geen grond om de ondertoezichtstelling te verlengen. [minderjarige] heeft ernstige psychiatrische problemen en is beter op haar plek binnen de GGZ.
4.3.
[minderjarige] heeft, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] heeft op een ZIKOS-afdeling bij Harreveld verbleven en ontving daar geen passende behandeling. [minderjarige] heeft trauma’s opgelopen door de gesloten plaatsing. Zij heeft last van hallucinaties en flashbacks. [minderjarige] heeft geen vertrouwen in de GI en de rechtbank. Het verzoekschrift is gebaseerd op foute of niet langer relevante informatie. De vaste jeugdbeschermer was langdurig afwezig, waardoor een ander het verzoekschrift heeft moeten schrijven. [minderjarige] is niet gebaat bij de betrokkenheid van jeugdbescherming. [minderjarige] ervaart de gesprekken met een therapeut als prettig.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond voor een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter heeft de stukken van de GI goed gelezen. Ook heeft zij goed geluisterd naar wat door en namens de partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. De kinderrechter zal het verzoek van de GI afwijzen. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.3.
De kinderrechter moet allereerst de vraag beantwoorden of [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze vraag zal de kinderrechter bevestigend beantwoorden. Er zijn nog steeds grote zorgen over de psychische gesteldheid van [minderjarige] . Dit is tijdens de zitting ook niet betwist.
5.4.
Vervolgens moet de kinderrechter de vraag beantwoorden of de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is door [minderjarige] en/of de moeder niet of niet voldoende wordt geaccepteerd. Er is voor nu passende hulpverlening gestart vanuit het FACT-team. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij open staat voor deze hulpverlening. De GI heeft geen zorgen geuit over de medewerking van de moeder en [minderjarige] aan deze hulpverlening. Er wordt derhalve niet voldaan aan het hiervoor genoemde criterium. Om die reden is de kinderrechter van oordeel is dat al hierom onvoldoende gronden aanwezig zijn voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Daarnaast hebben [minderjarige] en de moeder tijdens de zitting aangegeven dat een ondertoezichtstelling veel onrust en druk met zich meebrengt, mede gelet op de negatieve ervaringen uit het verleden met de gesloten jeugdzorg. Gelet op deze weerstand tegen de ondertoezichtstelling zou een verlenging van deze maatregel daarom naar het oordeel van de kinderrechter een averechts effect hebben en is het door de GI beoogde doel, te weten het verminderen of opheffen van de ontwikkelingsbedreigingen, naar de verwachting van de kinderrechter niet haalbaar.
5.5.
Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M. Buurman als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.