4.2Het verzoek heeft betrekking op de afwijzing van een aanvraag voor een bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang daarom aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen
.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Volgens vaste rechtspraak moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden stellen en aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn woonsituatie en zijn verblijfplaats. De verblijfplaats is immers van belang voor de vraag welk college de bijstand moet verstrekken.
Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan volgens vaste rechtspraakworden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.
Het college moet vervolgens de verschafte informatie op juistheid en volledigheid kunnen controleren.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woon- of verblijfsituatie in de te beoordelen periode van 20 februari 2024 tot en met 28 maart 2024. Verzoeker heeft niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam zijn hoofdverblijf heeft gehad dan wel dat het zwaartepunt van zijn maatschappelijke leven zich in Rotterdam bevindt.
Verzoeker heeft in het overgelegde formulier ‘Opgave slaap- en verblijfadressen’ opgegeven dat hij niet beschikt over een vaste verblijfplaats en in zijn eigen auto slaapt.
In telefonische gesprekken met de inkomensconsulente heeft verzoeker aangegeven dat hij mag slapen in een soort schuur van een vriend van hem, welke zich bevindt in Maassluis. Als hij niet in de schuur van die vriend kan slapen, slaapt hij in zijn auto die hij parkeert achter de kerk of achter het BP tankstation in Maassluis. Verder heeft verzoeker in die telefonische gesprekken aangegeven dat hij contact heeft met het Wijkteam Rozenburg, omdat hij slachtoffer is van de Toeslagaffaire, en dat hij onder bewind staat bij FIN Bewindvoering, die aan hem leefgeld verstrekt.
Bij het indienen van zijn aanvraag heeft verzoeker bankafschriften ingeleverd van de beheer- en leefgeldrekening. Uit de pintransacties op deze overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoeker in de periode van 20 februari 2024 tot en met 28 maart 2024 vrijwel alleen buiten de gemeente Rotterdam pintransacties heeft verricht. Aan de data en tijdstippen is te zien dat hij ook overdag buitend de gemeente Rotterdam verblijft.
Ter zittingheeft het college toegelicht dat verzoeker weliswaar een postadres heeft in de gemeente Rotterdam en in Rotterdam hulp en begeleiding ontvangt, maar dat het zwaartepunt van zijn maatschappelijk leven zich buiten Rotterdam bevindt. Een postadres is nodig voor het in behandeling kunnen nemen van een aanvraag, maar is niet van belang voor de vaststelling van het zwaartepunt van zijn maatschappelijk leven. Het college hecht er aan op te merken dat uit de overgelegde gegevens niet blijkt dat zijn hoofdverblijf in Rotterdam is.
Verzoeker heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf in de gemeente Rotterdam had. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het college de aanvraag om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen.