ECLI:NL:RBROT:2024:4846

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
27 mei 2024
Zaaknummer
10/319590-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 SrArt. 248 lid 1 SrArt. 38v SrArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ontucht met minderjarig meisje wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met een 14-jarig meisje in de nacht van 20 op 21 maart 2022. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 2 jaar en een contactverbod.

De rechtbank stelde vast dat verdachte waarschijnlijk aanwezig was in de woning waar het incident plaatsvond, mede op basis van een Snapchatfilmpje en een tapgesprek. Echter, er was onvoldoende bewijs om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte seks heeft gehad met het slachtoffer. Er werd geen DNA gevonden en de verklaringen van het slachtoffer en medeverdachten waren onvoldoende specifiek en overtuigend.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering omdat geen straf of maatregel was opgelegd. De rechtbank nam geen inhoudelijke beslissing over de schadevergoeding en veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij seks heeft gehad met het minderjarige slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/319590-22
Datum uitspraak: 2 mei 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
raadsman mr. D.C.D. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
18 april 2024.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. mr. W. ten Have heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van voorarrest;
  • oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de vorm van een contactverbod met [aangeefster] (hierna: de aangeefster).

4.Vrijspraak

4.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Op grond van de aangifte, tapgesprekken en de herkenning van de verdachte op het Snapchatfilmpje moet geconcludeerd worden dat de verdachte die avond in de woning aanwezig was en seks met de aangeefster heeft gehad.
4.2
Beoordeling
De aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 20 op 21 maart 2022 met meerdere mannen seks heeft gehad in de woning aan [adres 2] . Zij was op dat moment 14 jaar oud.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte die bewuste nacht in de woning seks heeft gehad met de aangeefster.
De rechtbank ziet sterke aanwijzingen dat de verdachte de bewuste avond in die woning was. Ten eerste is een Snapchatfilmpje gemaakt en gedeeld. Op dit filmpje zijn drie mannen te zien, waarvan de aangeefster twee mannen heeft herkend als medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Met de officier van justitie komt de rechtbank op basis van de datum van verspreiding, de tijdsgegevens die in het filmpje te zien zijn en de herkenning door aangeefster van de kleding van de mannen tot de conclusie dat dit filmpje in die nacht is gemaakt en dat het de verdachte is die, samen met de medeverdachten, op het filmpje te zien is.
Het vermoeden dat de verdachte toen in de woning aanwezig was, wordt versterkt door een opgenomen telefoongesprek van medeverdachte [medeverdachte 2] met een onbekend gebleven persoon, waarin ogenschijnlijk wordt gerefereerd aan de bewuste nacht en waarin wordt gesproken over ‘het broertje van [naam 1] ’ die erbij was. De verdachte heeft een oudere broer die ‘ [naam 2] ’ heet.
Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte toen ook seks heeft gehad met de aangeefster. De enkele verklaring van medeverdachte in een tapgesprek dat ‘iedereen daar heeft geneukt’ is daarvoor onvoldoende. Er is geen DNA van de verdachte aangetroffen. De verklaring van de aangeefster dat zij niet weet wie de derde jongen (de verdachte) op het Snapchatfilmpje is, maar dat hij hetzelfde bij haar heeft gedaan als de andere twee jongens, acht de rechtbank onvoldoende specifiek. De rechtbank bekijkt deze verklaring in samenhang met de verklaring die zij op 12 juli 2022 heeft afgelegd en waarin zij een gedetailleerd signalement van de vijf mannen heeft gegeven met wie zij seks heeft gehad. Naast de medeverdachten heeft zij twee dikkere mannen en een lange man beschreven. De verdachte lijkt niet in deze omschrijving te passen.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte seks heeft gehad met de aangeefster. De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5.Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaategel.
5.1
Beoordeling
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden. De verdachte is immers vrijgesproken.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
5.2
Conclusie
De rechtbank neemt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing over de gevorderde schadevergoeding.

6.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en D.G.J. Roset, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in de periode van 20 maart 2022 tot en met 21 maart 2022 te Schiedam tezamen en in vereniging met (een) ander(en) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten het
- betasten van en/of wrijven over en/of duwen op/tussen de schaamlippen, althans de vagina van die [slachtoffer] en/ of
- brengen en/ of vervolgens houden en/ of bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/ of
- brengen en/of duwen en/of vervolgens houden en/of bewegen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] .
(art 245 Wetboek Pro van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)