FreelanceFactoring en [naam bedrijf] sloten in 2015 een factoringovereenkomst waarbij vorderingen op debiteuren werden verkocht. [naam bedrijf] verkocht vorderingen ter waarde van €11.231,- aan FreelanceFactoring, maar debiteur Haaglanden betaalde niet vanwege betwisting van de geleverde diensten.
Na ontbinding van de overeenkomst vordert FreelanceFactoring betaling van de koopsom, rente, incassokosten en een boete. De bewindvoerder over de goederen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten de hoogte van de vordering en het bestaan van betaling.
De rechtbank oordeelt dat FreelanceFactoring de koopsom van €10.315,82 aan [naam bedrijf] heeft betaald, bevestigd door e-mails van de Rabobank. De bewindvoerder en [gedaagde 3] hebben onvoldoende bewijs geleverd om dit te weerleggen. De boete wordt afgewezen vanwege ontbinding van de overeenkomst. De bewindvoerder en [gedaagde 3] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €6.815,82 aan hoofdsom, €3.613,06 aan rente en €866,11 aan incassokosten. De vordering tegen [gedaagde 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze onder bewind staat.