ECLI:NL:RBROT:2024:4890
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning te Papendrecht ongegrond verklaard
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2021, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld vanwege een onjuiste liggingwaardering, verschillen in bouwjaar en balkonafmetingen, en een gebrek aan motivering. De heffingsambtenaar had de waarde na bezwaar verlaagd van €565.000 naar €530.000.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsmethode was adequaat, de ligging en bouwperiode van de woning en vergelijkingsobjecten waren vergelijkbaar, en de verschillen in balkonafmetingen waren niet wezenlijk. Ook was het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Eiser verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar wees het verzoek af omdat eiser het gewenste resultaat in bezwaar had bereikt en geen nadere onderbouwing gaf voor ervaren spanning of frustratie.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde bleef gehandhaafd op €530.000, en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.