De rechtbank Rotterdam behandelde op 13 mei 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorbereiden van het in- of uitvoeren, verwerken of vervaardigen van cocaïne door het vervoeren van een tas met acht kilogram procaïne, een versnijdingsmiddel voor cocaïne.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 120 dagen wegens bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte verklaarde echter meerdere malen te hebben gevraagd wat hij vervoerde en werd steeds verzekerd dat het geen drugs betrof. Bij het laden controleerde hij de inhoud en concludeerde dat het geen cocaïne was.
De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was voor vol of voorwaardelijk opzet op voorbereidingshandelingen met cocaïne. Ook kon niet worden vastgesteld dat procaïne onder de gegeven omstandigheden een werkzame stof of geneesmiddel was in de zin van de Geneesmiddelenwet. Daarom werd de verdachte vrijgesproken van alle tenlasteleggingen.