ECLI:NL:RBROT:2024:4996
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake hoogte bijstandsuitkering partner
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 3 april 2024 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard, waarin bijstand is toegekend op grond van de Participatiewet met ingang van 14 november 2023. Verzoeker woont samen met zijn partner en haar minderjarige kind, die sinds 13 juli 2022 in zijn woning zijn ingeschreven. De partner en haar kind ontvingen tot 1 februari 2024 leefgeld op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne.
De bijstand is toegekend op basis van 50% van de gehuwdennorm, omdat de partner is aangemerkt als niet-rechthebbende partner volgens artikel 24 van Pro de Participatiewet. De uitkering is aangevuld tot de alleenstaandennorm. Verzoeker stelt dat het gezin niet rond kan komen omdat het leefgeld is gestopt, maar betwist niet de toepassing van artikel 24.
De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang aan maar ziet geen redelijke kans van slagen voor het bezwaar tegen de hoogte van de uitkering. Daarom wijst hij het verzoek af. Verweerder heeft toegezegd dat de partner opnieuw leefgeld zal ontvangen, wat de bijstandsuitkering kan beïnvloeden. De uitspraak is voorlopig en bindt niet in een bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de hoogte van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.