Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 16 januari 2024, met bijlagen;
- het antwoord van 21 februari 2024, met een eis in reconventie (een tegeneis) en bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De huurder huurde van 1 augustus 2022 tot 1 juli 2023 een kamer van de verhuurder op een adres in Rotterdam. De huurovereenkomst vermeldde een termijn van 11 maanden en stelde dat tijdens deze periode geen opzegging mogelijk was. De huurder vroeg op 7 augustus 2023 de Huurcommissie om toetsing van de redelijkheid van de huurprijs, maar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
De huurder vorderde vervolgens bij de kantonrechter vaststelling van de redelijke huurprijs van € 345,58 per maand en terugbetaling van teveel betaalde huur. De verhuurder stelde dat het om een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met minimumduur ging en vorderde betaling van servicekosten.
De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst een huurovereenkomst voor bepaalde tijd betrof, conform de contractuele bepalingen en communicatie tussen partijen. Hierdoor was het verzoek tot toetsing binnen de wettelijke termijn ingediend. De huurprijs werd vastgesteld op € 345,58 en de verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van € 8.298,62 met wettelijke rente. De vordering van de verhuurder tot servicekosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurovereenkomst is voor bepaalde tijd, de huurprijs wordt vastgesteld op € 345,58 en de verhuurder moet € 8.298,62 aan teveel betaalde huur terugbetalen.