Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie, nu het vonnis tot ontruiming en het exploot van betekening zijn overgelegd en de ontruiming gepland staat.
Verzoekster ontvangt een netto-inkomen van €2.271,10 per maand, terwijl de kale huur €1.037,44 bedraagt. De huur van januari, februari (weliswaar te laat) en mei 2024 zijn betaald. Sinds 24 april 2024 staat verzoekster onder budgetbeheer bij de Kredietbank Nederland, waardoor aannemelijk is dat zij de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Daarom wordt de ontruiming voor zes maanden opgeschort en de huurovereenkomst verlengd. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek.