Eiser werd door de Staatssecretaris een bestuurlijke boete van €1360 opgelegd wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw) door tabak te verkopen aan een meisje dat niet onmiskenbaar 18 jaar was. Eiser voerde aan dat hij niet verwijtbaar had gehandeld omdat hij diezelfde dag nog om legitimatie had gevraagd, maar de rechtbank verwierp dit omdat het meisje verklaarde nooit eerder in de zaak van eiser te zijn geweest en aanvankelijk onjuiste gegevens gaf.
De rechtbank stelde vast dat eiser verwijtbaar had gehandeld door niet de identiteit van het meisje te controleren voor de verkoop. De bevoegdheid van de staatssecretaris om een boete op te leggen werd bevestigd. De hoogte van de boete werd niet betwist door eiser.
Wel oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn van twee jaar en acht maanden was overschreden, waardoor de boete met 30% werd gematigd tot €952. De overschrijding werd volledig aan de rechtbank toegerekend omdat het bestreden besluit pas in 2023 werd genomen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betrof, stelde de boete zelf vast op €952 en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.