ECLI:NL:RBROT:2024:5208
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens twijfel hoofdverblijf
Verzoekster kreeg op 24 februari 2022 een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 13 oktober 2021. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok deze uitkering op 17 april 2024 in en vorderde terugbetaling van € 9.039,55 wegens twijfel over haar hoofdverblijf. Verzoekster betwistte dat zij niet op het opgegeven adres woonde en stelde dat het college onvoldoende onderzoek had verricht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster sinds februari 2024 geen inkomsten meer had. Uit het bestuursrechtelijk onderzoek bleek dat verzoekster veelvuldig elders verbleef en daar ook werkte, hetgeen werd ondersteund door bankafschriften en eigen verklaringen, waaronder een ondertekende verklaring waarin verzoekster aangaf dat haar hoofdverblijf elders was.
Verder achtte de voorzieningenrechter het college niet verplicht tot nader onderzoek, mede omdat verzoekster niet was verschenen bij geplande gesprekken en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de uitnodigingen niet had ontvangen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het college had moeten meewegen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college terecht de bijstandsuitkering mocht intrekken en de teveel ontvangen bedragen mocht terugvorderen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.