Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake studiefinanciering. Dit beroep is ingetrokken nadat de minister alsnog studiefinanciering toewees voor de periode oktober 2022 tot en met augustus 2023.
De rechtbank heeft beoordeeld of de minister in verband met deze tegemoetkoming in de proceskosten veroordeeld kan worden. Uit het dossier blijkt dat het gewijzigde besluit van de minister gebaseerd is op stageovereenkomsten die pas in de beroepsfase zijn overgelegd en op nadere informatie die op 27 maart 2024 is verstrekt.
Omdat deze informatie bij het oorspronkelijke besluit en de beslissing op bezwaar niet beschikbaar was, was het primaire besluit niet onrechtmatig. Daarom bestaat er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.