ECLI:NL:RBROT:2024:5235

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
7 juni 2024
Zaaknummer
ROT 23/5657
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na toekenning studietoeslag door college Rotterdam

Verzoeker diende een aanvraag studietoeslag in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar bleef het college bij de afwijzing. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank. Na een tussenuitspraak kreeg het college de gelegenheid het gebrek te herstellen. Vervolgens werd studietoeslag toegekend over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023.

Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank het college te veroordelen tot betaling van proceskosten. Het college maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift. De rechtbank constateerde dat het college aan verzoeker tegemoet was gekomen en dat verzoeker proceskosten had gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot proceskostenveroordeling gegrond was en veroordeelde het college tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast werd het college verplicht het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoeker te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Dingemanse op 5 juni 2024.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 50,- aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5657
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2024 als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam] , uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. W. Breure).

Procesverloop

Met het besluit van 1 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van verzoeker om studietoeslag afgewezen.
Met het besluit van 12 juli 2023 op het bezwaar van verzoeker (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 14 maart 2024 een tussenuitspraak gedaan. Daarbij is het college in de gelegenheid gesteld binnen zes weken het gebrek te herstellen.
Met het besluit van 23 april 2024 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij verzoeker studietoeslag is toegekend vanaf 1 augustus 202 tot en met 31 augustus 2023.
Bij brief van 3 mei 2024 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het college bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.
Het college is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen en heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat het college aan verzoeker is tegemoetgekomen, dat verzoeker om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt. Het verzoek is kennelijk gegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
2. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het college te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624,- en wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van
€ 875,- en wegingsfactor 1).
3. De rechtbank wijst er ten slotte op dat het college, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- aan hem dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten aan verzoeker;
- bepaalt dat het college aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.