Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming is uitgesproken en een exploot tot ontruiming is betekend.
Verzoeker ontvangt een netto PW-uitkering en een woonkostentoeslag, waardoor hij voldoende inkomen heeft om de huur van €1.245,- per maand te voldoen. De huur van maart 2024 is weliswaar te laat, maar betaald, en de huur van april en mei 2024 zijn tijdig voldaan. Sinds 28 februari 2024 staat verzoeker onder beschermingsbewind, wat de tijdige betaling van huur waarborgt.
Verweerder betwist dit en wijst op een totale huurachterstand van ruim €16.000,- en een geringe marge tussen inkomen en huur. De rechtbank weegt de belangen af en oordeelt dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel wordt afgerond.