AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot statutenwijziging stichting na scheiding oprichters
De stichting werd opgericht in 2017 door twee gehuwde oprichters die in 2021 zijn gescheiden. Na de scheiding trok één oprichter zich terug als bestuurder, terwijl de ander nog deel uitmaakt van het bestuur. In een schikking is onder meer afgesproken dat partijen zich onthouden van inmenging in elkaars governance van rechtspersonen.
Het bestuur verzocht de rechtbank om artikel 14 lid 1 vanPro de statuten te wijzigen, omdat de huidige bepalingen de invloed van de familie van één oprichter op de stichting waarborgen, wat het bestuur ongewenst acht. De tegenpartij verweerde zich met een beroep op finale kwijting en het belang om mede bestuurders te benoemen.
De rechtbank oordeelt dat de finale kwijting niet ziet op het verzoek tot statutenwijziging en dat de stichting niet kwalificeert als een aan één oprichter gelieerde vennootschap. De aangevoerde omstandigheden, waaronder maatschappelijke veranderingen en mogelijke wetswijzigingen, zijn onvoldoende onderbouwd om wijziging te rechtvaardigen.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. De procedure weerspiegelt een onderliggend familiedispuut, waarvoor de rechtbank geen kostenveroordeling passend acht.
Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de statuten van de stichting wordt afgewezen.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/673613 / HA RK 24-129
Beschikking van 4 juni 2024 inzake het verzoek ex artikel 2:294 BWPro van
het bestuur van
[naam stichting],
gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,
tot wijziging van de statuten van voornoemde stichting,
met als belanghebbenden
1.[verweerder] ,
wonende te Bloemendaal,
verweerder,
verschenen in persoon,
2.[naam kind 1] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015,
vertegenwoordigd door de wettelijke vertegenwoordigers de heer [persoon A] en [verweerder] voornoemd,
3.[naam kind 2] ,
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2019,
vertegenwoordigd door de wettelijke vertegenwoordigers [persoon A] en [verweerder] , beiden voornoemd.
Partijen en de (vertegenwoordigers van) belanghebbenden worden hierna het bestuur, de Stichting, [verweerder] , [persoon A] en de kinderen genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, met producties,
de e-mail van mr. Reddingius van 8 maart 2024,
de e-mail van [verweerder] van 18 maart 2024, met producties,
de e-mail van [verweerder] van 10 mei 2024, met producties,
de mondelinge behandeling van 14 mei 2024.
2.De feiten
2.1.
De Stichting is op 20 november 2017 opgericht door [verweerder] en [persoon A] . Destijds waren zij gehuwd.
2.2.
[verweerder] en [persoon A] zijn gescheiden op 14 juli 2021. Uit hun huwelijk zijn de kinderen geboren. Zij zijn nog minderjarig.
2.3.
[verweerder] heeft zich op 22 juni 2021 teruggetrokken als bestuurder van de stichting. [persoon A] maakt nog deel uit van het bestuur.
2.4.
[persoon A] en [verweerder] hebben op 17 november 2023 in een procedure bij de rechtbank Noord-Holland een schikking getroffen. In het proces-verbaal van de schikking is onder andere en voor zover voor de beoordeling van belang het volgende opgenomen:
“ Governance
9. Partijen zeggen over en weer aan elkaar toe dat zij zich zullen onthouden van inmenging van het bestuur en governance van elkanders rechtspersonen en de rechtspersonen die daaraan zijn gelieerd.
Kwijting
“9. Onverlet het bepaalde in het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant, het ouderschapsplan en de daaraan gerelateerde twee vaststellingsovereenkomsten, (zie vonnis 4 januari 2023) verlenen partijen en aan hen gelieerde rechtspersonen aan elkaar aan hen gelieerde rechtspersonen na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure gevorderd hebben en al hetgeen zij mogelijk nog te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan.”
2.5.
De statuten van de Stichting bepalen, voor zover nu relevant, als volgt:
“SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
Artikel 6
(...)
7. De benoeming van bestuurders geschiedt als volgt:
a. indien [ [persoon A] ] en/of [ [verweerder] ] deel uitmaken van het bestuur worden bestuurders benoemd door het bestuur, waarbij het bestuur volledig aanwezig dient te zijn;
b. na defungeren van zowel [ [persoon A] ] als [ [verweerder] ], als bestuurders van de stichting worden een of meer opvolgend bestuurders benoemd door een commissie, welke wordt gevormd door de Afstammelingen, mits de betreffende afstammeling reeds de leeftijd van een en twintig (21 ) jaar heeft bereikt, waarbij iedere persoon één (1) stem heeft;
c. mocht conform sub b geen benoeming kunnen plaatsvinden dan zal de rechtbank worden gevraagd om tot benoeming gaan.
De hiervoor onder sub a bedoelde benoemingsbesluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen waarbij [ [persoon A] en [verweerder] ], voor zover ze deel uitmaken van het bestuur, ten gunste van (“voor”) de benoeming dienen te stemmen.
De hiervoor onder sub b bedoelde benoemingsbesluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
8. De benoemingsbesluiten genoemd in het vorige lid behoeven de goedkeuring van de benoemings en-adviescommissie.
(...)
STATUTENWIJZIGING
Artikel 14
1. Het bestuur is bevoegd te besluiten de statuten te wijzigen, behoudens artikel 6 lidPro 8, artikel 14 enProartikel 16 lidPro 4. Genoemde artikelen kunnen niet worden gewijzigd. Voor het wijzigen van artikel 6 lid 7 isPro goedkeuring nodig van [ [persoon A] en [verweerder] ] en de Afstammelingen.
2. De wijziging van de statuten moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen. Het bestuur is verplicht een authentieke afschrift van de akte van wijziging, alsmede van de gewijzigde statuten, neer te leggen ten kantore van het openbaar handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waaronder de stichting ressorteert. (...)”
3.Het verzoek
3.1.
Het bestuur verzoekt – na wijziging van het verzoek – de rechtbank om artikel 14 lid 1 vanPro de statuten te wijzigen op de in het verzoekschrift beschreven wijze. [1] Aan het verzoek wordt – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De huidige statuten bepalen dat bij defungeren of overlijden van [persoon A] de opvolgend bestuurder(s) van de stichting conform artikel 6 lidPro 7 b van de statuten worden benoemd door een commissie van Afstammelingen van [persoon A] en [verweerder] , mits deze de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Dat de familie [persoon A] op die manier zoveel invloed op de stichting heeft, vindt het bestuur ongewenst. Ter zitting heeft [persoon A] aangegeven dat het bestuur het doel heeft om de stichting onafhankelijk en vrij van familiaire banden te maken. Daarnaast stelt het bestuur dat de stichting een aan [persoon A] gelieerde rechtspersoon is, dus op grond van artikel 9 ‘Governance’ van het proces-verbaal van de schikking (r.o. 2.4.) moet [verweerder] zich onthouden van inmenging in de governance van de stichting.
3.2.
[verweerder] voert als primair verweer tegen de statutenwijziging dat partijen op grond van de afspraken die in het proces-verbaal zijn vastgelegd (r.o. 2.4.) finale kwijting jegens elkaar zijn overeengekomen, dus [persoon A] mag haar niet meer betrekken in een procedure. Het subsidiaire verweer van [verweerder] ziet erop dat zij een gerechtvaardigd belang heeft om, in het geval [persoon A] overlijdt als hun kinderen nog geen 21 zijn, mede de bestuurders van de stichting te kunnen benoemen. Zij is medeoprichter van de stichting en ook haar vermogen zit in deze stichting. Daarnaast stelt [verweerder] dat de stichting niet valt onder artikel 9 ‘Governance’ van het proces-verbaal aan de schikking, omdat het een onafhankelijke stichting is en geen aan [persoon A] gelieerde rechtspersoon.
3.3.
De standpunten van de kinderen zijn niet expliciet aan de orde gekomen. Naar de rechtbank begrijpt nemen [persoon A] en [verweerder] als vertegenwoordigers van de kinderen tegengestelde standpunten in: [persoon A] sluit zich aan bij het standpunt van het bestuur (waar hij deel vanuit maakt) en [verweerder] bij haar eigen standpunt.
4.De beoordeling
[verweerder] en de kinderen zijn belanghebbenden
4.1.
De rechtbank merkt [verweerder] aan als belanghebbende, omdat zij medeoprichter is van de stichting en omdat krachtens artikel 14 lid 1 vanPro de statuten haar goedkeuring nodig is voor het wijzigingen van artikel 6 lidPro 7. Vanwege de (deels uitgestelde) rol van de kinderen bij de benoeming van bestuurders en wijziging van statuten worden ook de kinderen als belanghebbenden aangemerkt.
De vaststellingsovereenkomst
4.2.
De rechtbank volgt [verweerder] niet in haar standpunt dat de afgesproken finale kwijting (r.o. 2.4.) toewijzing van het verzoek in de weg staat. De artikelen 6 lid 7 en 8, 14 en 16 lid 4 van de statuten mag het bestuur niet zelf wijzigen op grond van artikel 14 lidPro 1 (r.o. 2.5.). Dat is het bestuur wel van plan. Daarom vragen zij aan de rechtbank om artikel 14 lid 1 tePro wijzigen. Artikel 9 ‘Kwijting’ van het proces-verbaal (r.o. 2.4.) lezend concludeert de rechtbank dat de afgesproken finale kwijting tussen partijen niet ziet op een verzoek tot statutenwijziging van een stichting waarbij [verweerder] niet meer deel uitmaakt van het bestuur. Partijen hebben enkel afgesproken niets meer van elkaar te vorderen hebben. Het bestuur (en daarmee indirect [persoon A] ) vordert ook niets van [verweerder] , zij is enkel belanghebbende.
4.3.
Anders dan het bestuur betoogt, is de rechtbank van oordeel dat de Stichting niet kwalificeert als een aan [persoon A] gelieerde vennootschap. De Stichting is door [persoon A] en [verweerder] gezamenlijk opgericht als ‘goede doelen stichting’. Dat zij ontslag heeft genomen als bestuurder doet daaraan niet af. Er zijn verder geen concrete feiten en omstandigheden gebleken waaruit blijkt dat partijen bij het treffen van de schikking beoogd hebben de Stichting te kwalificeren als een aan [persoon A] gelieerde vennootschap.
Het verzoek wordt afgewezen
4.4.
Op grond van artikel 2:294 BWPro kan de rechtbank op verzoek van, onder meer, het bestuur, de statuten van een stichting wijzigen, indien ongewijzigde handhaving zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild en de statuten de mogelijkheid tot wijziging niet voorzien.
4.5.
Het bestuur voert meerdere gronden aan waarom er sprake is van een situatie die bij oprichting niet gewild is. (1) Tijdens de zitting heeft [persoon A] aangegeven dat hij uit het bestuur van de stichting wil stappen. Het bestuur stelt dat de statutaire gevolgen van de situatie waarin beide oprichters geen bestuurders meer zijn, bij de oprichting niet is voorzien en niet is gewild. (2) Het maatschappelijk klimaat rondom “persoonlijke” ANBI-stichtingen, gevoed door één ondernemer, is na oprichting onderdeel geworden van een breed maatschappelijk debat. Het bestuur vindt dit niet in het belang van de Stichting en meent dat dit gewijzigde maatschappelijke debat bij oprichting niet is voordien. Het is niet wenselijk dat de oprichter en zijn afstammelingen op een dergelijke ondemocratische wijze kunnen besluiten over een vermogen dat het algemeen maatschappelijk nut behoort te dienen. (3) Er bestaat een gerechtvaardigd vermoeden dat de ANBI-regelingen op dit punt herzien zullen worden. Dit zou grote gevolgen hebben voor de aftrekbaarheid van de lopende schenkingen en op enig moment op de nalatenschap van [persoon A] . (4) Het zou de motivatie van de (toekomstige) bestuurders en vrijwilligers ten goede komen als het bestuur autonoom kan beslissen over zaken die de Stichting aangaan. [verweerder] betwist dat ongewijzigde handhaving van de statuten leidt tot gevolgen die bij de oprichting niet zijn gewild. (5) [verweerder] wil haar positie bij de Stichting handhaven om eigen belangen na te streven.
4.6.
Hierover wordt als volgt geoordeeld:
Ad (1)
Het betoog van het bestuur dat bij de oprichting niet is voorzien en niet is gewild dat de beide oprichters niet meer in het bestuur zouden zitten, slaagt niet. De statuten voorzien immers expliciet in die situatie.
Ad (2)
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog dat de huidige discussie over ‘familie-gebonden goede doelen stichtingen’ leidt tot gevolgen die bij oprichting niet zijn gewild. Dat argument komt tamelijk gekunsteld over en het is ook niet onderbouwd dat de maatschappelijke opvattingen over een dergelijke stichting zodanig gewijzigd zijn dat dit leidt tot ongewenste gevolgen die bij oprichting niet gewenst zijn.
Ad (3)
Ook het betoog dat de AMBI-regeling mogelijk gewijzigd gaat worden, is geen reden om de statuten nu aan te passen. Dit betoog is niet onderbouwd of verder uitgewerkt. Hierdoor is het voor de rechtbank onduidelijk welke wijziging van de AMBI-regeling effect zou hebben op de Stichting, dat en waarom dat van invloed zou zijn op schenkingen die al plaats hebben gevonden en wat het ‘familiekarakter’ van de Stichting daarmee van doen heeft.
Ad (4)
Het betoog dat het de motivatie van de (toekomstige) bestuurders en vrijwilligers ten goede zou komen als het bestuur autonoom kan beslissen over zaken die de Stichting aangaan, slaagt evenmin. De rechtbank ziet niet in dat dit een omstandigheid is die leidt tot gevolgen die bij oprichting niet gewild zijn. Het was bij oprichting immers expliciet de bedoeling dat de familie invloed zou hebben.
Ad (5)
[verweerder] heeft aangevoerd dat zij niet wil dat de statuten worden gewijzigd omdat zij op grond van door partijen gemaakte afspraken een voorwaardelijke aanspraak op het vermogen van de Stichting heeft. Zij wil op deze manier ‘een vinger aan de pols’ houden. De rechtbank ziet hierin geen gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 2:294 BWPro en voor zover dit anders zou zijn, heeft het bestuur onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat het verzoek daarom toegewezen zou moeten worden.
4.7.
Concluderend kunnen de aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. Voor zover omstandigheid (5) wel gezien moet worden als een dergelijke omstandigheid, is die voor de rechtbank geen reden voor toewijzing van het verzoek.
4.8.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van het bestuur af.
Proceskosten
4.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het geschil lijkt uiteindelijk het gevolg te zijn / onderdeel te zijn van een vechtscheiding. De rechtbank sluit daarom aan bij de gebruikelijke lijn dat in familierechtelijke geschillen geen proceskostenveroordelingen worden uitgesproken.
5.De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
bepaalt dat ieder van partijen zelf de eigen proceskosten zal dragen.
Deze beschikking is gegeven door mr. N. Doorduijn. Het is ondertekend door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2024.
3727/1876
Voetnoten
1.Oorspronkelijk was ook aan de rechtbank gevraagd om andere bepalingen te wijzigen, maar dat verzoek is ingetrokken in de e-mail van 8 maart 2024 van mr. Reddingius.