De procedure betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van de inboedel na echtscheiding. De rechtbank had eerder bepaald dat de inboedel bij helfte verdeeld moet worden met peildatum 24 maart 2021. De man vordert alsnog de helft van de door hem geschatte waarde, maar de rechtbank oordeelt dat een nieuwe verdeling niet kan omdat hierover al een onherroepelijke beslissing is genomen. Wel kan een vervangende schadevergoeding worden gevorderd wegens het niet nakomen van de verdelingsverplichting.
De rechtbank stelt de waarde van de inboedel vast op €4.368,-, gebaseerd op de onderbouwde berekening van de vrouw, en kent aan de man een schadevergoeding van de helft daarvan toe, €2.184,-. De vrouw vordert daarnaast een schadevergoeding van €73.143,73 wegens extra kosten door vertraging bij de woningtoedeling, veroorzaakt door de man die weigerde mee te werken aan de levering. De rechtbank wijst een bedrag van €4.347,- toe, bestaande uit notariskosten, extra taxatiekosten en vertaal-/tolkkosten, maar wijst de hogere hypotheekrente en deurwaarderskosten af wegens onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter verklaart zich bevoegd ondanks de hoogte van de vorderingen en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. De vorderingen tot hernieuwde verdeling worden afgewezen, maar de man en vrouw worden elk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de ander wegens respectievelijk niet-nakoming verdeling en vertraging woningtoedeling.