Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 april 2024, met bijlagen;
- de rolbeslissing van 7 mei 2024;
- de akte van 21 mei 2024, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert Stichting Hef Wonen ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] wegens vermeende huurachterstand en betaling van die achterstand. De kantonrechter oordeelt echter dat de overeengekomen huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is omdat deze de verhuurder het recht geeft de huur jaarlijks naar eigen inzicht te verhogen, zonder redelijke marktbeperking.
Deze bepaling wordt als oneerlijk aangemerkt op grond van Richtlijn 93/13 en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waardoor zij vernietigd wordt en geacht wordt nooit te hebben bestaan. Dit betekent dat de huurprijs die bij het aangaan van de overeenkomst gold, altijd is blijven gelden en alle latere verhogingen vervallen.
Door deze terugkeer naar de oorspronkelijke huurprijs is er geen sprake van een huurachterstand; [gedaagde] heeft zelfs te veel huur betaald. De vorderingen van Hef Wonen worden daarom afgewezen, inclusief de incassokosten en rente. De kantonrechter wijst ook op de oneerlijkheid van de bepaling over buitengerechtelijke kosten in het huurcontract.
De uitspraak bevestigt dat oneerlijke bedingen niet mogen worden aangepast maar vernietigd, en dat de sancties uit de richtlijn afschrikkend moeten zijn. Hef Wonen wordt veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] op nihil worden begroot.
Uitkomst: De vorderingen van Hef Wonen worden afgewezen omdat de huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is en alle huurverhogingen vervallen.