ECLI:NL:RBROT:2024:5578

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 mei 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
10775184
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:625 BWArt. 289 RvArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever veroordeeld tot betaling achterstallige uitkering en transitievergoeding aan ex-werknemer

De ex-werknemer was vanaf 6 oktober 2022 tot het einde van het dienstverband op 1 augustus 2023 ziek vanwege zwangerschap. De werkgever ontving uitkeringen van het UWV en betaalde bruto hetzelfde bedrag uit aan de werknemer, maar hield netto een bedrag van €15.099,54 in. De werkgever gaf wisselende verklaringen voor deze inhoudingen, waaronder een vermeende te hoge bonusuitkering en een fiscale ‘creatieve beeldverwerking’ met dubbele loonstroken.

De kantonrechter oordeelde dat de inhoudingen onrechtmatig waren en dat de werkgever het ingehouden bedrag minus een reeds gedane nabetaling van €8.562,08 netto alsnog aan de werknemer moet betalen, zijnde €6.537,46 netto. De wettelijke verhoging wegens te late betaling is niet van toepassing omdat het om een uitkering gaat, maar wettelijke rente wordt wel toegewezen vanaf 2 november 2023.

Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van €5.911,86 bruto. De overige vorderingen van de werknemer en het tegenverzoek van de werkgever zijn afgewezen. De werkgever moet tevens de proceskosten van €1.307,- betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is.

Uitkomst: Werkgever moet €6.537,46 netto achterstallige uitkering met rente en €5.911,86 bruto transitievergoeding betalen aan ex-werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10775184 VZ VERZ 23-9613
datum uitspraak: 23 mei 2024
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: Waddinxveen,
verzoekster,
verweerster in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven,
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: Arnhem,
verweerster,
verzoekster in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. D.M.F. Snelder.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de tussenbeschikking van 12 februari 2024 en de daarin genoemde stukken;
  • de brief van 11 maart 2024 van [bedrijf B] , met bijlagen;
  • de brief van 23 april 2024 van [persoon A] .

2.De verdere beoordeling

Korte samenvatting van de zaak tot nu toe
2.1.
[persoon A] was bij [bedrijf B] in dienst. Vanaf 6 oktober 2022 was [persoon A] ziek vanwege haar zwangerschap. Ook na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof was [persoon A] tot het einde van het dienstverband op 1 augustus 2023 ziek als gevolg van haar zwangerschap. Een aantal geschilpunten over de afwikkeling van het dienstverband heeft de kantonrechter in de tussenbeschikking van 12 februari 2024 al beoordeeld. De vraag of [persoon A] vanaf 6 oktober 2022 correct door [bedrijf B] is uitbetaald, kon nog niet beantwoord worden. In de tussenbeschikking heeft de kantonrechter daarom bepaald dat [bedrijf B] de uitkeringsspecificaties van het UWV en de met het UWV gevoerde correspondentie over de uitbetaling van het bedrag van € 8.652,08 moet overleggen. Dat heeft [bedrijf B] gedaan, samen met een toelichting van haar accountant, en [persoon A] heeft daarop gereageerd.
[bedrijf B] moet € 6.537,46 netto aan [persoon A] betalen
2.2.
Uit de uitkeringsspecificaties van het UWV die [bedrijf B] heeft overgelegd, volgt dat zij in de periode van 6 oktober 2022 tot 1 augustus 2023 een bedrag van € 53.345,97 bruto van het UWV heeft ontvangen aan uitkeringen voor [persoon A] op grond van de Ziektewet en de Wazo. Uit de loonstroken die [persoon A] over die periode heeft overgelegd, blijkt ook dat [bedrijf B] in totaal een bedrag € 53.345,97 bruto aan [persoon A] heeft uitgekeerd. Dat klopt dus. Een belangrijke kanttekening daarbij is dat [bedrijf B] op het netto-equivalent van € 53.345,97 nog een bedrag van € 15.099,54 heeft ingehouden.
2.3.
Uit het verweerschrift en de toelichting tijdens de zitting van 15 januari 2024 begrijpt de kantonrechter dat [bedrijf B] dit bedrag heeft ingehouden omdat zij te veel bonus aan [persoon A] zou hebben uitgekeerd. In de tussenbeschikking is al overwogen dat [bedrijf B] dat als goed werkgever niet mocht doen. Als de kantonrechter [bedrijf B] en haar accountant goed begrijpt, stelt zij nu de volgende, geheel andere, reden voor de inhoudingen op de uitkering. [persoon A] ontving vanaf oktober 2022 vanwege fiscale redenen twee loonstroken. Op de ene loonstrook staat het bedrag van de uitkering van het UWV (productie 8 bij het verzoekschrift). Op de andere loonstrook staat het standaard maandsalaris, waarvan de uitkering van het UWV wordt afgetrokken (productie 14 van [bedrijf B] ). Omdat de uitkering van het UWV hoger is dan het maandsalaris van [persoon A] , komt de tweede loonstrook uit op een negatief saldo. Om dat negatieve saldo weg te werken, is gewerkt met een inhouding voorschot op de uitkering enerzijds en een uitbetaling voorschot op het salaris anderzijds. Dat is volgens de accountant slechts een “creatieve beeldverwerking” om de juiste bedragen op de juiste strook te zetten.
2.4.
Onduidelijk is waarom [bedrijf B] in het verweerschrift en tijdens de zitting een andere verklaring heeft gegeven voor de inhoudingen op de uitkering en pas nu met de verklaring zoals gegeven door haar accountant komt. De kantonrechter is het met [persoon A] eens dat de toelichting van de accountant weinig duidelijkheid geeft en eerder voor nog meer verwarring zorgt. Daar komt bij dat [bedrijf B] op geen enkele manier heeft toegelicht waarom zij pas onder druk van het UWV is overgegaan tot het doen van een nabetaling van € 8.562,08 netto. Het UWV heeft [bedrijf B] namelijk op 11 oktober 2023 een formulier gestuurd waarop staat dat [bedrijf B] de mogelijkheid krijgt om het restant van de uitkering over te maken aan [persoon A] , en als zij dat niet doet, de uitkering met terugwerkende kracht wordt afgewezen. Het heeft er in ieder geval dus alle schijn van dat [bedrijf B] in eerste instantie heeft geprobeerd om een gedeelte van de uitkering van [persoon A] onder zich te houden.
2.5.
De accountant van [bedrijf B] stelt dat [persoon A] in totaal € 19.826,16 bruto te weinig aan uitkering heeft ontvangen, wat zou overeenkomen met € 8.562,08 netto (de nabetaling van 23 oktober 2023). Daarin kan de kantonrechter [bedrijf B] niet volgen. Uit de loonstroken van productie 8 blijkt namelijk dat zij (ten onrechte) een bedrag van € 15.099,54 netto heeft ingehouden op de uitkering van het UWV. Dat bedrag moet [bedrijf B] dus ook netto terugbetalen aan [persoon A] . Daarop strekt de reeds gedane nabetaling van € 8.562,08 netto in mindering. Daarom wordt [bedrijf B] veroordeeld om aan [persoon A] € 6.537,46 netto te betalen.
2.6.
De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro vanwege het te laat betalen van dit bedrag is [bedrijf B] niet verschuldigd. Het bedrag is namelijk geen loon dat [bedrijf B] moet betalen, maar een uitkering op grond van de Ziektewet en de Wazo. De wettelijke rente wordt wel toegewezen met ingang van 2 november 2023, zoals door [persoon A] verzocht.
De overige verzoeken
2.7.
[bedrijf B] wordt veroordeeld om de transitievergoeding aan [persoon A] te betalen (r.o. 2.12 van de tussenbeschikking). De overige verzoeken van [persoon A] en het tegenverzoek van [bedrijf B] worden afgewezen gelet op wat de kantonrechter in de tussenbeschikking daarover heeft beslist.
[bedrijf B] moet de proceskosten betalen
2.8.
[bedrijf B] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 289 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [persoon A] op € 86,-aan griffierecht, € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.307,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 6.537,46 netto met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 2 november 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 5.911,86 bruto aan transitievergoeding;
3.3.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 1.307,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
49039