Uitspraak
[veroordeelde] ,
Opgelegde straf
De proeftijd is op laatstgenoemde datum ingegaan en bedraagt 730 dagen. Bij voornoemd
wijzigingsbesluit zijn onder meer de volgende bijzondere voorwaarden gesteld:
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde is op 11 oktober 2019 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met een voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) die op 14 augustus 2022 is ingegaan. Bij het wijzigingsbesluit van 5 augustus 2022 zijn bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor begeleid wonen.
De officier van justitie heeft op 24 april 2024 een vordering ingediend tot herroeping van de VI voor 180 dagen wegens onvoldoende medewerking aan de behandeling en het niet naleven van huisregels en aanwijzingen. De reclassering rapporteerde problematisch gedrag, gebrek aan probleembesef en een hoog risico op recidive, en adviseerde klinische opname.
Tijdens de openbare terechtzitting van 21 mei 2024 zijn de veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie en deskundigen gehoord. De veroordeelde erkende open te staan voor klinische plaatsing, maar zag het behandeltraject positiever dan de reclassering. De rechtbank concludeerde dat de bijzondere voorwaarden verwijtbaar zijn overtreden en dat herroeping van de VI noodzakelijk is om klinische opname mogelijk te maken.
De rechtbank wijst de vordering toe voor de volledige gevorderde periode van 180 dagen, omdat plaatsing binnen drie maanden niet realistisch is maar wel binnen zes maanden verwacht wordt. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag voor een kortere herroeping afhankelijk van eerdere klinische opname.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 21 mei 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe voor 180 dagen.