De rechtbank Rotterdam heeft op 28 mei 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot het bewegen van twee minderjarige jongens tot ontuchtige handelingen door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De tenlastelegging betrof gedragingen in de periode van 2019 tot 2021, waarbij verdachte als voetbaltrainer betrokken was bij de minderjarigen.
Tijdens de terechtzitting op 14 mei 2024 is het bewijs besproken, waaronder de aangifte en verklaringen van de minderjarigen. Verdachte ontkende de beschuldigingen en gaf aan dat zijn aanwezigheid in de kleedkamer enkel functioneel was, zoals het opruimen van spullen en het aanmoedigen van de jongens om de kleedkamer droog te maken. De rechtbank vond het bewijs onvoldoende om het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van 31 dagen (waarvan 30 voorwaardelijk) en een taakstraf van 60 uur geëist. De rechtbank sprak verdachte echter vrij van de ten laste gelegde feiten. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat geen straf of maatregel was opgelegd en artikel 9a Wetboek van Strafrecht niet van toepassing was.
De rechtbank bepaalde dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, welke nihil werden begroot. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken onder voorzitterschap van M.V. Scheffers, met de rechters E. IJspeerd en R.B. Schiphuis.