De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het meermalen plegen van ontuchtige handelingen, waaronder anaal binnendringen, bij twee minderjarige slachtoffers tussen 1998 en 2003.
Hoewel de aangiftes van de slachtoffers als kernbetrouwbaar werden beoordeeld, ontbrak het aan voldoende aanvullend bewijs. Er waren geen verklaringen van derden die de feiten bevestigden, noch technisch bewijs dat het misbruik ondersteunde. De verschillen in verklaringen en het tijdsverloop ondermijnden bovendien de mogelijkheid om schakelbewijs te gebruiken.
De rechtbank concludeerde dat de bewijslast niet werd gehaald en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en veroordeeld in de kosten, welke nihil werden begroot.