ECLI:NL:RBROT:2024:573
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Matiging bestuurlijke boete wegens te late betaling minimumloon
Eiseres kreeg van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bestuurlijke boete opgelegd van €3.000 wegens een overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Na bezwaar matigde de Minister de boete tot €1.500. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank Rotterdam, stellende dat er geen sprake was van onderbetaling maar van te late betaling, en dat de boete onevenredig hoog was.
De rechtbank oordeelde dat de overtreding van de Wml voldoende vaststond: een werknemer had in juni 2022 niet tijdig het minimumloon ontvangen, wat een overtreding is van artikel 7 van Pro de Wml. Het verweer dat sprake was van een schriftelijke afwijking van de betalingstermijn faalde. Ook het beroep op een lagere boete op grond van de beleidsregel werd verworpen. Wel achtte de rechtbank de boete van €1.500 onevenredig hoog gezien het geringe bedrag van €153,99 dat te laat werd betaald, de snelle en volledige nabetaling, en het ontbreken van andere onregelmatigheden.
De rechtbank stelde de boete daarom vast op €500, het laagste bedrag uit de beleidsregel. Tevens werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Veling op 1 februari 2024.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd naar €500 wegens een eenmalige, snel herstelde te late betaling van het minimumloon.