Verzoeker heeft meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen rechters en de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam in een procedure betreffende familie- en jeugdrechtelijke zaken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer als geheel niet op wettelijke gronden berust en dat het verzoek tegen rechters die reeds een einduitspraak hebben gedaan niet-ontvankelijk is omdat deze rechters de zaak niet meer behandelden.
Daarnaast is het voorwaardelijke verzoek tot wraking wegens de wijze van behandeling van het wrakingsverzoek (mondeling of via telehoren) eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat dit een processuele beslissing betreft die geen grond voor wraking kan vormen. De rechtbank oordeelt dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikt door telkens nieuwe wrakingsverzoeken in te dienen na elk onwelgevallig bericht, wat leidt tot onredelijke vertraging van de rechtspleging.
Daarom is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2024 en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.