De zaak betreft een vordering van VGZ Zorgverzekeraar tot betaling van achterstallige premies voor een aanvullende zorgverzekering door een verzekerde die sinds 2018 permanent in een verpleeghuis verblijft en onder de Wet Langdurige Zorg (Wlz) valt. De verzekerde betwist de premiebetaling omdat hij meent dat de Wlz alle aanvullende zorg dekt en VGZ geen risico heeft gelopen.
De rechtbank stelt vast dat de aanvullende verzekering dekking biedt voor zorg die niet volledig door de Wlz wordt gedekt, zoals tandheelkundige zorg buiten de instelling of zorg tijdens vakantie. Hierdoor is er wel degelijk een risico gelopen en is premiebetaling gerechtvaardigd. Tevens is niet gebleken dat VGZ haar zorgplicht heeft geschonden door onvoldoende te informeren over de Wlz-indicatie.
De verzekerde draagt een eigen verantwoordelijkheid voor het beoordelen van zijn verzekeringsbehoefte. Omdat VGZ niet op de hoogte was van de Wlz-indicatie en de verzekerde dit niet tijdig heeft gemeld, kan VGZ niet worden verweten dat zij niet heeft geïnformeerd. De vordering van de verzekerde tot terugbetaling van te veel betaalde premies en boetes wordt afgewezen.
De rechtbank bekrachtigt het eerdere verstekvonnis, veroordeelt de verzekerde tot betaling van de premies, rente en incassokosten, en wijst de tegenvordering af. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.