Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 30 mei 2024, met bijlage 1;
- de mondelinge behandeling op 10 juni 2024.
Rechtbank Rotterdam
De vrouw en de man zijn gehuwd en bevinden zich in een echtscheidingsprocedure. Voorafgaand aan deze zaak is een kort geding gevoerd over het voorlopig gebruik van de woning en de zorg voor de kinderen, waarbij afspraken zijn gemaakt dat de man de woning zou verlaten en de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd.
De vrouw stelt dat de man bij het verlaten van de woning goederen heeft meegenomen die niet uitsluitend van hem zijn en essentieel zijn voor de verzorging van de kinderen. Zij vordert primair dat de man deze goederen terugplaatst in de woning, subsidiair een schadevergoeding van € 10.000,00.
De man is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, waarna verstek is verleend. De voorzieningenrechter acht de primaire vordering gegrond en veroordeelt de man tot terugplaatsing van de genoemde goederen binnen een week na betekening van het vonnis, onder oplegging van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 10.000,00. De proceskosten worden gecompenseerd, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld om binnen een week de door hem meegenomen goederen terug te plaatsen in de echtelijke woning, onder dreiging van een dwangsom.