Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 30 mei 2024, met bijlagen 1 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling op 3 juni 2024.
Rechtbank Rotterdam
De vrouw en de man zijn sinds maart 2024 geregistreerd partners, maar de relatie is verbroken. De vrouw wil alleen in de gezamenlijke huurwoning blijven wonen en de man verbieden de woning te betreden, inclusief een eis tot uitschrijving van de man op het adres. De man verzet zich hiertegen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er spoedeisend belang is bij een voorlopige voorziening omdat samenwonen niet meer mogelijk is. Op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro kan een medehuurder worden veroordeeld de woning te verlaten totdat een bodemprocedure beslist wie de huur voortzet.
Bij de belangenafweging weegt het belang van de kinderen om in hun vertrouwde woning te blijven sterk mee, evenals de verzorgende rol van de vrouw. De man moet de woning daarom vóór 1 juli 2024 verlaten. De vrouw moet uiterlijk 15 augustus 2024 een bodemprocedure starten over de huur. De eis tot uitschrijving van de man wordt afgewezen vanwege gebrek aan wettelijke grondslag.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om snelle naleving te waarborgen.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld om de woning vóór 1 juli 2024 te verlaten en de vrouw mag voorlopig alleen in de woning verblijven.