ECLI:NL:RBROT:2024:6066
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder verwijtbaar handelen
In deze zaak staat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst centraal nadat het ontslag op staande voet van de werknemer is vernietigd in een gelijktijdige procedure. De werknemer, sinds 2007 in dienst als gerechtsdeurwaarder en leidinggevende, werd op staande voet ontslagen wegens vermeend verwijtbaar handelen, maar dit ontslag werd onterecht bevonden.
De werkgever vordert daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van meerdere redelijke gronden, waaronder verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter oordeelt dat het verwijtbaar handelen niet is komen vast te staan, maar dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord, mede door onnodig pittige communicatie en onherstelbare verhoudingen binnen het team en met het management.
Herplaatsing wordt als niet reëel beschouwd, waarna de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden, eindigend op 1 mei 2024. De werknemer krijgt een transitievergoeding van €42.501,58 bruto toegekend, maar geen billijke vergoeding omdat er geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is vastgesteld. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2024 met toekenning van een transitievergoeding van €42.501,58 bruto en afwijzing van een billijke vergoeding.