Eiser diende een ingebrekestelling in omdat verweerder niet tijdig op zijn bezwaar had beslist. Verweerder nam uiteindelijk op 15 december 2022 alsnog een besluit op het bezwaar, waarin het standpunt werd ingenomen dat geen dwangsom verschuldigd is omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was verklaard.
De rechtbank oordeelde dat eiser het besluit van 15 december 2022 naar alle waarschijnlijkheid heeft ontvangen, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Daarnaast werd het beroep tegen het besluit zelf inhoudelijk beoordeeld en als ongegrond verworpen.
De rechtbank baseerde zich op artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat geen dwangsom verschuldigd is bij een kennelijk ongegronde aanvraag in de bezwaarfase. Omdat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was verklaard, was het standpunt van verweerder terecht.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter V. van Dorst op 19 juni 2024.