ECLI:NL:RBROT:2024:6150

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juli 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
ROT 23/7134
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007Art. 21 Wet WIAArt. 21a Wet WIAArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 18 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op indexering verzekerd dagloon bij vrijwillige WIA-verzekering

Eiser had zich in 2012 als zelfstandige vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet en Wet WIA met een verzekerd dagloon van €160,-, waarbij hij koos voor niet-indexering van het dagloon. Na toekenning van een WIA-uitkering in april 2023 voerde eiser aan dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met de wettelijke verhoging van het minimumloon per 1 januari 2023 van 10,15%.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht stelt dat het geen verplichting had het verzekerd dagloon te indexeren zolang er geen uitkering was en dat het aan eiser was om een verzoek tot verhoging in te dienen. De wettelijke verhoging werd wel toegepast op de lopende Ziektewet-uitkering, maar niet op de nog niet lopende WIA-uitkering.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onjuist is geïnformeerd over de keuze niet te indexeren. De rechtbank stelt dat de eigen keuzes van de verzekerde bindend zijn en dat ongunstige gevolgen hiervan niet op het UWV kunnen worden afgewenteld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7134

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).

Procesverloop

1. Met het besluit van 4 april 2023 (het primaire besluit) is aan eiser vanaf 10 april 2023 een uitkering op grond van de Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA) toegekend. Met het besluit van 22 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen de hoogte van de toekenning ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend.
1.1.
Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn dochter [naam], en genoemde gemachtigden.

Overwegingen

2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zich, toen hij als zelfstandige startte, in 2012 vrijwillig heeft verzekerd voor Ziektewet (de ZW) en de Wet WIA, met voor beide verzekeringen een verzekerd dagloon van € 160,-. Op het door hem ondertekende aanvraagformulier voor die verzekeringen heeft hij aangekruist dat het verzekerde dagloon niet jaarlijks wordt aangepast aan de ontwikkeling van de loonindexcijfers.
Eiser heeft vanaf 12 april 2021 een uitkering op grond van de ZW gebeurd die liep tot einde wachttijd voor de Wet WIA. Na zijn aanvraag voor een aansluitende Wet WIAuitkering is hem die bij het primaire besluit toegekend per 10 april 2023, waarbij het UWV de hoogte van de toekenning heeft gebaseerd op het verzekerde dagloon van € 160,-, wat resulteerde in een bruto maandelijkse uitkering van € 2.255,56, exclusief vakantiegeld.
In bezwaar daartegen heeft eiser aangevoerd dat het UWV ten onrechte bij de toekenning geen rekening heeft gehouden met de verhoging per 1 januari 2023 van het wettelijk minimumloon met 10,15%, zoals neergelegd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, waaraan de hoogte van de uitkeringen op grond van onder meer de ZW en de Wet WIA zijn gekoppeld.
Bij het bestreden besluit is het UWV bij het primaire besluit gebleven en heeft het UWV uitgelegd dat eiser er zelf voor heeft gekozen het verzekerde dagloon niet te indexeren, dat hem ter zake geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt en dat uit de door eiser tot de aanvang van de ZW-uitkering betaalde premies voor de vrijwillige verzekeringen niet volgt dat de verzekerde daglonen wél werden geïndexeerd.
3. De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat uit het toepasselijke wettelijk kader volgt dat gedurende de loop van de vrijwillige verzekeringen van eiser, zolang die niet tot uitkering kwamen, voor het UWV geen verplichting bestond tot indexering van het door hem verzekerde dagloon (wat zou hebben geleid tot een hogere premielast voor eiser) en dat het aan eiser was op grond van artikel 7 van Pro de Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007 (de Regels) het UWV te verzoeken om verhoging daarvan. Dat lopende eisers ZW-uitkering wél wettelijke verhogingen werden doorgevoerd (onder meer de verhoging per 1 januari 2023 met 10,15%), leidt niet tot een ander oordeel. Immers, toen de vrijwillige ZW-verzekering tot uitkering kwam, verviel de verplichting tot premiebetaling voor de vrijwillige verzekeringen, waarmee overigens de verhoging van het verzekerde dagloon op verzoek van eiser niet meer mogelijk was. Vanaf dat moment moesten de wettelijk verhogingen wél worden toegepast op de tot uitkering gekomen vrijwillige ZW-verzekering. Indexering van de hoogte van een lopende uitkering is aldus te onderscheiden van indexering van het verzekerde dagloon.
Bij de vrijwillige verzekeringen staat, zoals volgt uit artikel 21, eerste lid, van de Wet WIA, in samenhang gelezen met artikel 7 van Pro de Regels, de eigen keuze van de verzekeringnemer voor de hoogte van het te verzekeren dagloon voorop met als enige voorwaarde dat betrokkene zich niet mag oververzekeren. De eigen keuze voor het al dan niet indexeren van het zelfgekozen verzekerd dagloon is daarmee bindend en van het UWV kan, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet worden verlangd daarvan af te wijken.
Nu eiser voordat zijn vrijwillige ZW-verzekering tot uitkering kwam geen verzoek op grond van artikel 7 van Pro de Regels bij het UWV heeft gedaan, was ook het zelfgekozen verzekerd dagloon voor de vrijwillige Wet WIA-verzekering in beginsel de maatstaf voor de berekening van zijn Wet WIA-uitkering.
4. Het betoog van eiser dat het UWV bij het bestreden besluit zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd, slaagt niet.
Eiser stelt in dit verband dat hij in 2012 de aanvraag voor de vrijwillige verzekeringen heeft ingevuld met behulp van een medewerker van het UWV en dat die hem ten onrechte niet heeft geïnformeerd over de strekking van de keuze voor niet-indexering, reden waarom volgens eiser het UWV hem die voor zijn financiële situatie verstrekkende keuze thans niet mag tegenwerpen, ook al omdat hij slechts gebrekkig het Nederlands zou beheersen waardoor van hem niet verlangd mocht worden te kunnen doorgronden welke betekenis toekwam aan de desbetreffende keuzemogelijkheid.
Het is aan eiser om zijn stellingen ter zake aannemelijk te maken, maar daarin is hij niet geslaagd. Het UWV heeft naar voren gebracht dat het niet meer kan nagaan hoe de aanvraag indertijd in zijn werk is gegaan en of eiser inderdaad met behulp van een UWV-medewerker het aanvraag formulier heeft ingevuld. En ook als dat inderdaad het geval zou zijn geweest, dan is niet vast te stellen wat er indertijd aan informatie is gewisseld. Nu eiser zijn stellingen niet nader heeft kunnen concretiseren, faalt zijn beroep op het vertrouwensbeginsel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
5. De rechtbank is, ook het vorenstaande in aanmerking genomen, van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers Wet WIA-uitkering niet voor de wettelijke verhoging met 10,15% in aanmerking kwam, nu deze verhoging alleen van toepassing was voor op 1 januari 2023 reeds lopende uitkeringen. Die verhoging is terecht op eisers toen lopende ZW-uitkering toegepast, maar kon níet op zijn toen nog niet lopende WIA-uitkering worden toegepast. Dat eiser aldus bij de overgang naar de Wet WIA-uitkering werd geconfronteerd met een substantiële verlaging van zijn maandelijkse inkomen, waarmee door de bijzondere in 2012 niet voorzienbare verhoging van de uitkeringen per 1 januari 2023 zijn keuze voor het niet-indexeren van het verzekerd dagloon achteraf bezien erg ongunstig uitpakte, betekent echter, anders dan hij heeft aangevoerd, niet dat hier sprake is van een zodanig uitzonderlijke omstandigheid dat het UWV op grond daarvan met het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Uit de aard van de vrijwillige verzekering volgt nu eenmaal dat de eigen keuzes van de verzekeringsnemer bepalend zijn en dat de gemaakte keuzes, ook als die zoals hier erg ongunstig uitpakken, niet afgewenteld kunnen worden op de verzekeraar.
6. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven. Er is verder geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Artikel 21. Hoogte dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering
1. De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen genoemde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18 van Pro die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft.
Artikel 21a. Nadere regels UWV
Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
(…)
c. het dagloon, bedoeld in artikel 21, eerste lid.
Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007
Artikel 7
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, kan het UWV het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien in de mate waarin het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag op grond van artikel 18 van Pro die wet wordt verhoogd of verlaagd.
2. Het UWV kan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien:
a. indien dat dagloon niet overeenkomt met het loon of inkomen dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft;
b. indien het naar het oordeel van het UWV aannemelijk is dat door een wijziging in de Wet de uitkeringsvoorwaarden zodanig zijn gewijzigd dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering bij aanvang van de vrijwillige verzekering een ander dagloon bepaald zou hebben.
3. De herziening bedoeld in het eerste en tweede lid gaat in per 1 januari van enig jaar. De herziening bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan eveneens plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. De herziening bedoeld in het tweede lid, onderdeel b kan alleen plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Dit verzoek wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin de herziening ingaat. Het UWV kan een herziening als bedoeld in het tweede lid ook op een ander tijdstip laten ingaan, indien naar zijn oordeel sprake is van een aanzienlijke wijziging van het loon, inkomen of dagloon.
Uitkeringsbedragen per 1 januari 2023 [1]
Per 1 januari 2023 worden de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Nabestaandenwet (Anw), Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), Werkloosheidswet (WW), Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Ziektewet (ZW) en Toeslagenwet (TW) aangepast. Dit komt doordat deze uitkeringen gekoppeld zijn aan het wettelijk minimumloon.
(…)
WW, WIA, WAO en ZW, en maximumdagloon
Per 1 januari 2023 worden bestaande bruto uitkeringen in de WAO/WIA, WW en ZW verhoogd met 10,15%, in lijn met de stijging van het brutominimumloon per dag. Per 1 januari 2023 wordt het maximumdagloon verhoogd van bruto € 232,90 naar bruto € 256,54.