De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin de verhuurder de huurder vorderde tot ontruiming van de gehuurde woonruimte en betaling van achterstallige huur. De huurder had een huurachterstand van ruim vijf maanden opgebouwd, een bedrag van €4.809,63 tot en met mei 2024, welke niet werd betwist.
De verhuurder eiste ontruiming binnen drie dagen met een dwangsom en machtiging tot zelfuitvoering, alsmede betaling van de achterstallige huur en de lopende huur vanaf juni 2024. De huurder voerde verweer tegen de ontruiming, maar onderbouwde zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende concreet.
De rechtbank oordeelde dat het spoedeisend belang van de verhuurder aannemelijk was en dat de vordering tot ontruiming en betaling ook in een bodemprocedure waarschijnlijk zou worden toegewezen. De ontruiming werd toegewezen binnen 14 dagen na betekening, zonder dwangsom of machtiging tot zelfuitvoering, omdat de deurwaarder dit kan effectueren.
De huurachterstand met rente en de maandelijkse huur vanaf juni 2024 tot en met de ontruimingsmaand werden toegewezen. De huurder werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.069,17. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is.